zondag 27 februari 2011
zaterdag 26 februari 2011

Het tempelcomplex Muro no Myōjin. Uit: Nippon.
Voor elk van deze tempels stond een offerkist, en de deuren waren met kostbaar koper beslagen en van een groot slot voorzien, dat zoals men zei door de Dayrie [Dairi] was verzegeld, omdat deze kapellen relikwieën van voorname heiligen zouden bevatten. Men vindt in een van de galerijen van de tempel, onder vele andere pronkstukken, een groot schilderij van twee Hollandse schepen in volle zee, dat door een zekere koeliemeester, JISKI [Gisuke] genaamd, in het jaar 1804 aan de tempel geschonken werd. Daarna bezochten wij de tempel Zjowoenzi [Jōunji] waar men het graf vindt van een zekere TOMOGIMI [Tomogimi], de eerste onkuise Japanse vrouw, en deden nog enige grote wandeling in de nabijheid van en door Moero, een plaats die ook beroemd is vanwege het fraaie lederwerk, dat de stad en de omstreken opleveren.
vrijdag 25 februari 2011
donderdag 24 februari 2011

Een shamisen
Ik moet echter bekennen dat wij in die muziek, evenmin als in al hetgeen wij tot dusverre van dien aard in Japan gehoord hadden, behagen schepten; doch wij bewonderden daarentegen de stipte orde en onderscheiding, die men ons bewees, daar ieder op de straat zich bukte totdat wij voorbij waren, en twee mensen met bezems voor de trein uit liepen om door het roepen van Say! Stay! het volk van onze aankomst te verwittigen, en de geringste stenen of vuiligheid van de weg op te ruimen.
woensdag 23 februari 2011

De haven van Shimonoseki (Detail)
De 23e. Hoewel we de vorige dag reeds ingescheept waren, moesten wij door tegenwind tot vandaag blijven liggen. Onze grote bark, die het grootste deel van de trein aan boord had, was met een Hollandse vlag versierd en ook van schanskleden voorzien. Er was ook nog een tweede vaartuig aangelegd, om de rest van het gevolg te vervoeren. Wij werden door enkele kleine vaartuigen uit de haven gesleept en vonden buiten komende een ontelbare hoeveelheid zeilen die ook enkele dagen door tegenwind waren tegengehouden. De wind was N.N.W. met een //risse = frisse?// koelte. Om drie uur 's middags voeren wij voorbij de uithoek van Bungo [de Provincie Bungo, nu Ōita prefectuur] en om zeven uur waren wij al voorbij Iwozima [Iwaijima]. Wij lieten alle andere vaartuigen achter ons, en waren tenslotte verplicht, door de sterk aantrekkende zee en de hevige wind, het zeil te minderen.
dinsdag 22 februari 2011

De tolk Sakusaburo. Uit: Nippon.
Het hele beheer van de Hollandse met Chinese zaken is toevertrouwd aan de gouverneur van Nagasakki. Hij is met zijn leven verantwoordelijk voor onze personen en handelingen, en vandaar dat wij meer beperkt zijn, dan anders het geval zou zijn; want het hof kan zich op die grote afstand niet met huishoudelijke inrichtingen bemoeien. Het hof doet zijn gezag alleen in bijzondere gevallen gelden, zoals bij het bepalen van de kopertax, de verhoging van de prijzen, of dergelijke belangrijke gevallen. Maar daarbuiten is er geen contact, dan door tussenkomst van de genoemde gouverneur, die op zijn beurt zijn burgemeesters, de commissarissen van de Geldkamer en het tolkencollege gebruikt om de zaken onmiddellijk met ons te regelen en af te doen.
maandag 21 februari 2011
Op sleeptouw naar de Papenberg aan de ingang van de Baai van Nagasaki.
Op de 20e van de negende maand moeten de schepen, volgens een keizerlijk bevel, naar de buitenreede of de Papenberg vertrekken, en het is een zonderling, dat dit nog nimmer gemist heeft, hoe moeilijk het ook dikwijls door weer en wind geweest is om de schepen van de stad te brengen. Zij krijgen dan het kruit en de kleine munitie terug, en het eerst aangekomen schip geeft 's morgens en 's avonds het gewone wachtschot. Gewoonlijk krijgt men kort voor het vertrek op het eiland en aan boord van de schepen een bezoek van de aftredende en aankomende gouverneur, die elkaar in deze maand vervangen. De voorbereidselen en de plichtplegingen bij dergelijke gelegenheden zijn niet gering: de straten en gebouwen worden schoongemaakt, en de grond met een pad van wit zand bestrooid. De huizen moeten gesloten blijven, en niemand mag zich op straat begeven. De genoemde heren worden bij het opperhoofd onthaald, en brengen een geduchte stoet van gevolg mee. Bij dergelijke gelegenheden moet men zich troosten, om het Japans compliment op de mat af te leggen, en zolang men hen verwelkomt of hen de afscheidsgroet geeft, op de grond te zitten, op dezelfde manier als de Japanners dat gewend zijn. Hoewel deze manier ook verschilt van het Europese gebruik, zou het van vreemdelingen, vooral in hun eigen land, en in het zeldzame geval dat zij met ons spreken, teveel gevergd zijn, indien men verlangde, dat zij zich geheel en al, in het bijzonder in hun zeden en gewoonten, naar onze gebruiken zou schikken; dit zou zelfs met hun inrichting onmogelijk zijn. Indien men daarentegen voor een Japanner, die zich op de grond zet, een Europese buiging maakt, en hem in een staande houding zou willen toespreken, zou dit voor beiden zeer oneigenlijk zijn; de een kijkt naar boven en de ander naar beneden, terwijl mijn bovendien de Japanner op die wijze altijd beledigen moet, omdat deze, bij het buigen tegen onze benen zou aankijken, en men in geen geval elkander iets kan aanbieden of een beker van vriendschap zou kunnen ledigen, zonder alle goede manieren te kwetsen of te verzaken. Het is dus in geen geval onderdanigheid die wij aan de Japanners betogen, door hun bij die gelegenheid voor hen te buigen op de matten; men volgt slechts het gebruik van het land, en het spreekt vanzelf, dat men, als men te gast is bij vreemde volkeren zijnde, hun vriendschap wint door hun gebruiken zoveel mogelijk te eerbiedigen. Naast de genoemde plechtige gelegenheden ontvangen wij de Japanners in de dagelijkse omgang naar onze wijze; ze gaan op onze stoelen zitten, en de tolken komengraag bij ons aan tafel eten. Zij krijgen tweemaal per jaar een partij of gastmaal bij het opperhoofd, ter gelegenheid van de verjaardag van de Koning en bij het nieuwe jaar, en ze hebben dan de gewoonte, om behalve dat zij zichzelf ruim tegoed doen, al het overblijvende eten mee te nemen. De meesten pakken het eten in papier, en verbergen het in hun wijde mouwen.
zondag 20 februari 2011
zaterdag 19 februari 2011

Uitzicht op Nagasaki.
Men heeft in de omstreken van Nagasakki de mooiste uitzichten en wandelingen, en men bepaalt gewoonlijk op zo’n dag een vast punt van samenkomst, hetzij in of buiten de stad waar de Hollandse en Japanse keuken te vinden is en de vrienden zich onderling vermaken. Bij dergelijke gelegenheden zijn de Banjoosten zeer inschikkelijk om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, en men laat ons zelfs door één enkele tolk vergezeld, commissies verrichten. Dit geschiedt ook meestal, omdat zij ruim van alles voorzien worden, en zich op hun gemak te goed doen, en wellicht meer dan wij zelf van het onthaal genieten. Het wordt wel eens oogluikend toegelaten dat men winkels binnengaat, en door tussenkomst van de Compradoor iets koopt. Maar voor het overige mag men in geen enkel burgerhuis komen. De enigste gebouwen die de vreemdeling mag binnentreden zijnde tempels en de beroemde Tjaya’s [chaya] of theehuizen, die zo goed en luimig in het vijfde hoofdstuk van het werkje van den heer MEYLAN1 zijn beschreven dat ik daarvan niets meer zeggen kan dan dat zij uitermate geschikt zijn om een gezelschap van vrolijke gasten op te wachten. Wanneer men zijn intrek neemt in de tempel, wordt men door de kaalgeschoren priester in zijn plechtgewaad ontvangen, maar naderhand, nadat de eerste statige opwachting is afgelopen, is hij de man die zwaar beschonken, met zang en dans de meeste potsen aanricht, en zijn eigen geboden overtreedt door ham, vlees, boter, en wat hem nog meer verboden is, boetvaardig te nuttigen. Alle consumpties die in de stad worden gebruikt, betaalt de compradoor, die dat later met 20% winst in rekening brengt. Iedere Hollander heeft zijn lopende rekening bij die leverancier, welke dagelijks wordt bijgeschreven, waarvan men op het eind van de maand een bewijs krijgt. Op dezelfde manier wordt ook gehandeld met alle goederen die van de overige leveranciers gekocht worden. Deze bewijzen worden door het tolkencollege geverifieerd en vervolgens door de crediteuren bij de geldkamer ingeleverd. Deze lopende rekeningen worden vereffend met de opbrengst van de bijzondere Kambang-goederen, die ten overstaan van de Geldkamer verkocht en afgeleverd worden. De Geldkamer ontvangt het geld van de kooplieden, en opent voorons voor dat bedrag een krediet, echter met een korting van vijfendertig procent, wat in feite de belasting op de bijzondere verkopen is. Bij het vertrek van de schepen moet iedereen er voor zorgen, dat zijn rekening afgesloten wordt, en de Japanners zijn wat dat betreft zeer nauwkeurig, zodat er zelfs na de grote drukte, die bij het vertrek van schepen plaatsvindt, en de omslachtige wijze van liquidatie zelden een fout wordt gevonden.
1 Meylan, G.F., 1830. Japan. Voorgesteld in schetsen over de zeden en gebruiken van dat Ryk, byzonder over de ingezetenen der stad Nagasaky.
vrijdag 18 februari 2011
donderdag 17 februari 2011
's nachts is er nog een wacht op het eiland van vijf man, die, net de Ottona’s één of tweemaal de ronde doet, en wij zijn door al die bewaking zodanig voor tegen gevaar beschermd, dat men gerust met open deuren en vensters naar bed kan gaan.
Wanneer er op het eiland iets met lossen of laden, of in de pakhuizen te verrichten valt, komt er een Opperbanjoost of een gemachtigde van de Gouverneur op het eiland, met een gevolg van lijfwachten en enige tolken. Zijn aankomst wordt aan de tolken en andere bedienden, die op het eiland aanwezig zijn, aangekondigd door het schreeuwen van “Oeidi di goezarimasi”[oide de gozarimsu], wat betekent: "hij komt!" De Ottona’s en tolken scharen zich, volgens rang, naast elkaar aan de ingang van het lokaal, waar de Opperbanjoost plaatsneemt, en buigen zich wanneer de genoemde beambte voorbijgaat. Deze geeft verlof om de werkzaamheden te beginnen, verleent pas brieven en zegels, en zendt zijn bediende, om de sloten van de pakhuizen open te doen, altijd vergezeld van Onderbanjoosten en schrijvers, die de wacht moeten houden zolang er in het pakhuis wordt gewerkt, totdat dit opnieuw gesloten en weer verzegeld is. Wanneer wij verlangen iets van boord naar onze woning te nemen, moet dit met verlof van de Opperbanjoost geschieden, en alles dat als handelsartikel kan worden aangemerkt, gaat in een afzonderlijk pakhuis, het zogenaamde Kambang pakhuis, waar de ambtenaren en schepelingen hun goederen brengen, die publiek verkocht moet worden.
woensdag 16 februari 2011
dinsdag 15 februari 2011
Deshima, met de landpoort en de waterpoort.
maandag 14 februari 2011
Decima De factorij van de Nederlanders in Japan.

De ligging tegen de stad Nagasakki, waarvan wij slechts door een smal kanaal van ongeveer 30 voet breed zijn afgescheiden, maakt, dat men aan die kant weinig uitzicht heeft, temeer, daar de hele walkant die met huizen is bebouwd, het uitzicht op de straat, de Jedomatsi [Edomachi], wegneemt. Maar daarentegen heeft de gehele overige omtrek van het eiland een vrij uitzicht zowel over de baai, als landwaarts. De baai is altijd levendig, en er heerst een gedurige beweging van vaartuigen. Aan de linkerkant heeft men uitzicht op een bergachtig gedeelte van de stad, en ook op heerlijke akkers en dorpen, die zich in het verschiet verliezen. In de brede straat van het eiland, die met een kleine bocht van de waterpoort tot het andere einde loopt, liggen de huizen van de Hollandse ambtenaren, die ieder een afzonderlijke woning hebben. Deze ambtenaren zijn; een Opperhoofd, een Pakhuismeester, een Scriba of boekhouder voor de handel, een Geneesheer, vijf Assistenten of Klerken en twee Pakhuisknechts. De Nederlandse regering geeft de tafel, en zij verenigen zich, met uitzondering van de Pakhuisknechts, hiervoor tweemaal daags bij het Opperhoofd, die een zeer groot en goed getimmerd gebouw bewoont dat vooral ook zo ruim is ingericht, om er de Japanse Groten naar behoren te kunnen ontvangen. De overige huizen zijn naar de rang der bewoners minder groot en van meer of minder gemakken voorzien, naarmate zij die willen bekostigen. Meestal gebruikt men het benedenhuis als bergplaats, en het bovenhuis als woning. Behalve dat deze straat aan weerszijden ook met pakhuizen tussen de woonhuizen is aangevuld, staan er ook langs de heiningen of paggers [omheining van bamboe] enige gebouwen als pakhuizen en woningen tot verblijf van de Japanse tolken, van de Ottona’s [otona]of Burgemeesters van het eiland, van de zogenaamde Kasserossen [uit het Portugees?] of huisbazen (in het Japans kfoemi gasira [kumigashira] genoemd), en van de wachten van het eiland, terwijl er ook nog een plek grond overblijft, die behalve de koeienkraal, twee tuinen bevat, waarbij een ruim gebouw staat , dat gewoonlijk gebruikt wordt voor het nieuwe opperhoofd, als hij aankomt om zijn voorganger af te lossen.
zondag 13 februari 2011
Men ziet op de genoemde overtocht in de verte de stad Dayrie [Dairi], in vroegere tijden de zetel van de geestelijke keizer, en midden in het vaarwater de klip, waarop de vermaarde Tayko sama [Taikō sama = Toyotomi Hideyoshi (1537-98)] schipbreuk leed, hetgeen de gezagvoerder van zijn vaartuig het leven kostte. Men heeft op deze klip een zuil of een Tempeltje gebouwd, zowel ter nagedachtenis aan dit voorval, als aan het overlijden van een jonge prins uit het geslacht van Heike, Antokftenno [Antoku Tennō, ca 1183] genaamd, die, in de armen van zijn min of voedster, zijn leven opofferde om niet aan zijn vijanden uitgeleverd te worden. De min namelijk verdronk zich met den zevenjarige prins.
Uitzicht op Simonoseki. (Uit: Nippon)
Simonoseki is een handelsplaats, waar buitengewoon veel scheepvaart is. Men drijft hier een grote handel in rijst, tarwe en andere granen, gedroogde vis en houtskool, en werkt er buitengewoon fraai in steen, waarvan we enige kleinigheden kochten. De stad ligt aan zee, en telt onder verscheidene andere, de vermaarde Amidais [Amida] tempel die gesticht is ter nagedachtenis aan de jonge held die hiervoor genoemd is. Hij is bij deze tempel begraven met zijn voornaamste dienaren, en men vertoont hier zijn wapens, afbeeldingen en ook een beeld van hem levensgroot in brons gegoten.
zaterdag 12 februari 2011
vrijdag 11 februari 2011
In Oesino [Uchino], aan de voet van het gebergte waar de waard ons fazanten, eenden en eieren aanbood om ons te verwelkomen, moesten we opnieuw enige tijd vertoeven.

Na in Jetska [Izuka] het middagmaal te hebben gebruikt, kwamen wij ’s avonds toen het al donker was voor de rivier de Setogawa waar 30 vaartuigen klaar lagen die in 10 minuten de hele trein overzetten. De grote hoeveelheid lantaarns en flambouwen maakten deze overtocht zeer gunstig en fraai. Wij overnachtten in Kayanossa [Koyanose].
donderdag 10 februari 2011
woensdag 9 februari 2011

Men ziet aan de buitenkant in de stam uitgehouwen een beeld van de God Kwanon [Kannon], en overal in de boom zijn prentjes en briefjes met namen geplakt.

We gebruikten het middagmaal in Oetsoetsoei [Ushitsu], en kwamen in de namiddag door Saga, de hoofdstad van het landschap Fizeeng. Deze plaats is meer dan 1 uur gaans lang en beroemd wegens haar mooie vrouwen. ‘s Avonds kwamen wij in Kansaki [Kanzaki] en we overnachtten aldaar in de tempel Sinsoki [Shinkōji] van de Ikosju- [Ikkōshū] sekte.
dinsdag 8 februari 2011
Buiten Sonogi gingen wij wandelen, en hielden ons een ogenblik op bij de hut van een grijsaard, die van zijn jeugd af altijd genoegen had geschept in het zien voorbijtrekken van de Hollanders. Hij was bijna 90 jaar oud, en hier samengekomen met een groot gedeelte van zijn nageslacht. Meer dan 40 keer had hij nu reeds onze trein voorbij zien trekken, en hj scheen oprecht gelukkig die dag opnieuw te beleven. Hij kreeg van het opperhoofd een drinkpenning om zijn gezin te onthalen. Wij ontmoetten die dag een transport van enkele Koreanen, die bij het landschap Nagats [Nagatsu]schipbreuk hadden geleden, en nu naar Nagasakki vervoerd werden.
In Oresino bezichtigden wij het warme bad, en voelden ons hier al verplicht enkele kleinigheden uit de deden aan de Japanse dames, die verzochten ons tijdens het middagmaal te mogen bezoeken.
’s Avonds bekeken wij in Takywo [Takeo] een zeer fraaie badhuis van de Landsheer waarbij ook een warme bron gevonden wordt.
