dinsdag 1 maart 2011

De 1e maart reisden wij door tot Fiogo [Hyōgo], een zeehaven, waar de hofreisbark de overige goederen ontscheepte die niet in Moero gelost waren.


De haven van Hyōgo. Uit: Nippon.

Wij trokken heden voortdurend door steden en dorpen, van welke onder andere Ookfboe [Ōkubu] in een vallei die zeer schoon gelegen is. Bij Akasi [Akashi], ook een fraaie stad, trokken wij de rivier over, langs een brug, die op 57 hardstenen zuilen gebouwd is. In de namiddag vertoefden wij in een theehuis, Soeba genaamd [Soba, waarschijnlijk de naam van het gerecht, niet van het theehuis], beroemd wegens een bepaalde soort van vermicelli, waarvan alle Japanners een portie namen. Recht tegenover dit huis is het gedenkteken en de begraafplaats van een zekere SIGISMAY [Shigisumai] een kroongeneraal en zoon van de Dayrie ADSMOYNOTENNO [Azumoi no tennō] die hier in de oorlog tegen Heike sneuvelde. Wij kregen hier een jongeling mee, die in deze omstreken de planten aanwees, en bijzonderheden verhaalde over deze in de Japanse geschiedenis zo beroemde veldslag.

maandag 28 februari 2011

De 28e trokken wij de rivier Itsigawa [Ichigawa] over, en gingen aan de zijkant van de grote weg af, om enige vermaarde tempels te bezichtigen. De eerste was die van Sone no Tinzin [Sone no Tenjin]; men wees ons hier op een sparreboom van 983 jaar oud, die als een grote schat wordt beschouwd, met nog een andere, minder oud, maar met een zeer grote omvang, en een ontzettend groot oppervlak beslaand, beiden in een zindelijk en smaakvol plantsoen van fraaie bomen en gewassen. Het inwendige van de tempel bevatte fraaie zalen, die door schilder-, verguld- en beeldhouwwerk zeer bezienswaardig zijn.
In de tempel Onoje zagen wij in de grote klok, en bij de tempel Itsnohoden [Ishinohoden] een vierkante steen van de 40 voet hoog en 30 voet breed, die van onder spits toeloopt en rust op een klein voetstuk dat in een vijvertje stond. Het merkwaardige van dit gevaarte was dat het boven tegen de berg lag, zonder dat men kon bespeuren, dat het op die plaats uit de berg zelf was gehouwen. Het zou in Japan ondoenlijk zijn een dergelijk gewicht naar boven te werken, en dit is reden genoeg in dit land om er een bijgelovig denkbeeld aan te hechten. De Japanners zeggen namelijk, dat een zekere godheid die steen daar in één nacht tot gedenkteken heeft geplaatst


De merkwaardige steen bij Ishinohoden, Takasago

We trokken de rivier Ary over en zagen nog een Budsdo-tempel te Takisago met fraai beeldwerk, en enige, bij hen, zeer kostbare oudheden. 's Avonds kwamen wij in Kagasawa [Kakogawa] waar wij overnachtten en

zondag 27 februari 2011

De 27ste februari vertrokken wij uit Moero, en gebruikten het middagmaal in Sozio [Shōjō], waar wij met vaartuigen de rivier met dezelfde naam overstaken. In deze omstreken zijn veel leertouwers, of zogenaamde beulsstraten die onder de afstanden niet geteld worden. ‘s Avonds kwamen wij in Fimezi [Himeji], een stad met een fraai kasteel, en kregen enige marskramers op bezoek, die ons wat lederwerk aanboden dat zij ongemeen kunstig weten te bewerken.

zaterdag 26 februari 2011

26e 's morgens het anker vallen te Moero [Muro], nadat wij in 45 uren 117 mijlen afgelegd hadden. Wij werden uitgenodigd om te overnachten in het vertoefhuis van de Landsheer, en deden vervolgens een wandeling naar de tempel Muro na Miosin [Muro no Myōjin], die prachtig tegen de berg gelegen is, en uit verschillende schitterende gebouwen bestaat, waaronder vijf tempeltjes of kapellen zijn die naast elkaar liggen en zich bijzonder onderscheiden omdat ze prachtige gevels met snij- en verguldwerk hebben.


Het tempelcomplex Muro no Myōjin. Uit: Nippon.

Voor elk van deze tempels stond een offerkist, en de deuren waren met kostbaar koper beslagen en van een groot slot voorzien, dat zoals men zei door de Dayrie [Dairi] was verzegeld, omdat deze kapellen relikwieën van voorname heiligen zouden bevatten. Men vindt in een van de galerijen van de tempel, onder vele andere pronkstukken, een groot schilderij van twee Hollandse schepen in volle zee, dat door een zekere koeliemeester, JISKI [Gisuke] genaamd, in het jaar 1804 aan de tempel geschonken werd. Daarna bezochten wij de tempel Zjowoenzi [Jōunji] waar men het graf vindt van een zekere TOMOGIMI [Tomogimi], de eerste onkuise Japanse vrouw, en deden nog enige grote wandeling in de nabijheid van en door Moero, een plaats die ook beroemd is vanwege het fraaie lederwerk, dat de stad en de omstreken opleveren.

vrijdag 25 februari 2011

De 25e. Omdat weer en wind het toelieten om te vertrekken, scheepten wij al vroeg alles in, en kwamen voorbij Miwara [Mihara], dat een groot kasteel met verschillende torens heeft. Wat hoger, tegen de rug van de berg, ziet men een grote tempel. Bijna alle Japanners wierpen een klein met sake gevuld tonnetje overboord waaraan 13 pitjes of duiten zijn vastgebonden, om aan de God Kampirai [Konpira] te offeren. De vissers, die deze tonnentjes opvangen, verzuimen niet, om deze af te leveren in de daar dichtbij gelegen tempel van hun beschermheer of patroon met die naam. Wij zagen aan bakboord het dorp Tasima [Tajima] en het landschap Firozima [Hiroshima], en lieten de

donderdag 24 februari 2011

De 24e waaide er een noordenwind. Wij waren 's morgens vroeg bij Kamiro [Kamuro], en hadden een heerlijk uitzicht op het eiland Saikokf [Shikoku], waar alle toppen van de bergketens met sneeuw bedekt waren. Tegen de middag draaide de wind naar het westen en moesten wij vervolgens voor Mitarya [Mitarai] voor anker te gaan, waar wij overnachtten nadat wij er een Japanse Sakke- partij hadden bijgewoond, bij welke gelegenheid wij enkele samsiespeelsters [shamisen-speelsters] van het beroemde Firozima [Hiroshima] hoorden.


Een shamisen

Ik moet echter bekennen dat wij in die muziek, evenmin als in al hetgeen wij tot dusverre van dien aard in Japan gehoord hadden, behagen schepten; doch wij bewonderden daarentegen de stipte orde en onderscheiding, die men ons bewees, daar ieder op de straat zich bukte totdat wij voorbij waren, en twee mensen met bezems voor de trein uit liepen om door het roepen van Say! Stay! het volk van onze aankomst te verwittigen, en de geringste stenen of vuiligheid van de weg op te ruimen.

woensdag 23 februari 2011


De haven van Shimonoseki (Detail)

De 23e. Hoewel we de vorige dag reeds ingescheept waren, moesten wij door tegenwind tot vandaag blijven liggen. Onze grote bark, die het grootste deel van de trein aan boord had, was met een Hollandse vlag versierd en ook van schanskleden voorzien. Er was ook nog een tweede vaartuig aangelegd, om de rest van het gevolg te vervoeren. Wij werden door enkele kleine vaartuigen uit de haven gesleept en vonden buiten komende een ontelbare hoeveelheid zeilen die ook enkele dagen door tegenwind waren tegengehouden. De wind was N.N.W. met een //risse = frisse?// koelte. Om drie uur 's middags voeren wij voorbij de uithoek van Bungo [de Provincie Bungo, nu Ōita prefectuur] en om zeven uur waren wij al voorbij Iwozima [Iwaijima]. Wij lieten alle andere vaartuigen achter ons, en waren tenslotte verplicht, door de sterk aantrekkende zee en de hevige wind, het zeil te minderen.

dinsdag 22 februari 2011

De tolken zijn over het algemeen niet zo bedreven in de Hollandsche taal. Zij spreken het buiten de negotietijd weinig, en schrijven nog minder in die taal. Ook wordt men niet meer gevraagd, dan de gouvernementsorders verstaanbaar over te brengen, en door hun tussen komst de behandeling van de zaken te bespoedigen, waartoe geen grote talenkennis vereist wordt. Al het wetenschappelijke wordt door Japanse geneesheren in Jedo oneindig beter begrepen, omdat deze er zich met meer belangstelling op toeleggen. Maar niettemin moet ik een iutzondering maken voor enige van onze tolken, zoals de heren JOZIWO GONOSKE [Yoshio Gonnosuke], SENSAYMON[Jinsaemon], SAKFSABRO [Sakusaburō], TJUZERO [Chūjirō], TITNOSKE [Tesunosuke], en KINSAYMON, [Kinsaemon], die te ijverig en in de taal te kundig zijn, om niet speciaal vermeld te worden als geschikte taalmannen.


De tolk Sakusaburo. Uit: Nippon.

Het hele beheer van de Hollandse met Chinese zaken is toevertrouwd aan de gouverneur van Nagasakki. Hij is met zijn leven verantwoordelijk voor onze personen en handelingen, en vandaar dat wij meer beperkt zijn, dan anders het geval zou zijn; want het hof kan zich op die grote afstand niet met huishoudelijke inrichtingen bemoeien. Het hof doet zijn gezag alleen in bijzondere gevallen gelden, zoals bij het bepalen van de kopertax, de verhoging van de prijzen, of dergelijke belangrijke gevallen. Maar daarbuiten is er geen contact, dan door tussenkomst van de genoemde gouverneur, die op zijn beurt zijn burgemeesters, de commissarissen van de Geldkamer en het tolkencollege gebruikt om de zaken onmiddellijk met ons te regelen en af te doen.

maandag 21 februari 2011


Op sleeptouw naar de Papenberg aan de ingang van de Baai van Nagasaki.

Op de 20e van de negende maand moeten de schepen, volgens een keizerlijk bevel, naar de buitenreede of de Papenberg vertrekken, en het is een zonderling, dat dit nog nimmer gemist heeft, hoe moeilijk het ook dikwijls door weer en wind geweest is om de schepen van de stad te brengen. Zij krijgen dan het kruit en de kleine munitie terug, en het eerst aangekomen schip geeft 's morgens en 's avonds het gewone wachtschot. Gewoonlijk krijgt men kort voor het vertrek op het eiland en aan boord van de schepen een bezoek van de aftredende en aankomende gouverneur, die elkaar in deze maand vervangen. De voorbereidselen en de plichtplegingen bij dergelijke gelegenheden zijn niet gering: de straten en gebouwen worden schoongemaakt, en de grond met een pad van wit zand bestrooid. De huizen moeten gesloten blijven, en niemand mag zich op straat begeven. De genoemde heren worden bij het opperhoofd onthaald, en brengen een geduchte stoet van gevolg mee. Bij dergelijke gelegenheden moet men zich troosten, om het Japans compliment op de mat af te leggen, en zolang men hen verwelkomt of hen de afscheidsgroet geeft, op de grond te zitten, op dezelfde manier als de Japanners dat gewend zijn.
Hoewel deze manier ook verschilt van het Europese gebruik, zou het van vreemdelingen, vooral in hun eigen land, en in het zeldzame geval dat zij met ons spreken, teveel gevergd zijn, indien men verlangde, dat zij zich geheel en al, in het bijzonder in hun zeden en gewoonten, naar onze gebruiken zou schikken; dit zou zelfs met hun inrichting onmogelijk zijn. Indien men daarentegen voor een Japanner, die zich op de grond zet, een Europese buiging maakt, en hem in een staande houding zou willen toespreken, zou dit voor beiden zeer oneigenlijk zijn; de een kijkt naar boven en de ander naar beneden, terwijl mijn bovendien de Japanner op die wijze altijd beledigen moet, omdat deze, bij het buigen tegen onze benen zou aankijken, en men in geen geval elkander iets kan aanbieden of een beker van vriendschap zou kunnen ledigen, zonder alle goede manieren te kwetsen of te verzaken. Het is dus in geen geval onderdanigheid die wij aan de Japanners betogen, door hun bij die gelegenheid voor hen te buigen op de matten; men volgt slechts het gebruik van het land, en het spreekt vanzelf, dat men, als men te gast is bij vreemde volkeren zijnde, hun vriendschap wint door hun gebruiken zoveel mogelijk te eerbiedigen. Naast de genoemde plechtige gelegenheden ontvangen wij de Japanners in de dagelijkse omgang naar onze wijze; ze gaan op onze stoelen zitten, en de tolken komengraag bij ons aan tafel eten. Zij krijgen tweemaal per jaar een partij of gastmaal bij het opperhoofd, ter gelegenheid van de verjaardag van de Koning en bij het nieuwe jaar, en ze hebben dan de gewoonte, om behalve dat zij zichzelf ruim tegoed doen, al het overblijvende eten mee te nemen. De meesten pakken het eten in papier, en verbergen het in hun wijde mouwen.

zondag 20 februari 2011

De Japanners zijn verzot op al wat vreemd is en betalen voor de ene of andere zeldzaamheid, die in hun smaak valt, en voor ons soms van zeer weinig waarde is, vaak een hoge prijs. Indien het nieuwtje er af gaat, stellen zij de prijs daarentegen zo laag, dat men dergelijke zaken dikwijls weer mee naar huis neemt. De artikelen, waarvoor zij doorgaans een redelijke prijs betalen, en welke in den bijzondere handel geoorloofd zijn, bestaan uit Sandelhout, bindrotting, klapperolie, Kajoepoetilie [kajaputi-olie], drop, saffraan, kinabast, kreeftenogen[ kalkreserves van rivierkreeften], Theriac [opium?], muskus, Aloë, duivelsdrek [een kruid, Ferula asafoetida], Arabische gom, ginsengwortel, IJslands mos [een struikachtig korstmos], en veel andere geneesmiddelen; zo ook horloges, mechaniek of muziekwerken, oud Perzisch en ander leer, fijn geslepen glaswerken, allerhande bijouterieën en snuisterijen, Hollandse genees- en sterrenkundige werken, doch vooral vreemde vogels of dieren. Vele van deze artikelen komen niet op Kambang, of worden niet publiek verkocht; maar de tolken zijn de onderhandse kooplieden, om deze bij ruiling met Japanse stoffen etc. te verhandelen. Er zijn afzonderlijke beambten, onder de benaming van kennislieden, die men bij ons schatters zou noemen, die alle goederen sorteren, en aan iedere soort een naam geven, naar welke rangschikking de publieke verkoop plaats heeft. Vooraf moet van ieder artikel een monster aan de gouverneur getoond worden, en deze schijnt het voorrecht te hebben, om voor de prijs die de koopman aanbiedt, een zekere hoeveelheid, en wel het beste, voor zichzelf uit te kiezen. Hetzelfde gebeurd ook bij de burgemeester van de stad Nagasakki, en dit is zeer ten nadele van de kooplieden. Het is daarnaast meer dan waarschijnlijk, dat de geldkamer in dat geval niet de vijfendertig procent belasting krijgt, maar dat die heren even zoveel minder betalen.

zaterdag 19 februari 2011

Een vreemdeling, die het eiland verlangt te zien, gaat aan de poort door als bediende van een van de tolken of ambtenaren, ofwel krijgt hij daartoe in het geheimverlof van de poortwachter, hoewel het eigenlijk verboden is. Geen Hollander kan het eiland verlaten, zonder de goedkeuring te hebben gekregen van de Japanse regering via de rapporteurtolken. Deze toestemming wordt nooit geweigerd, maar de Hollander moet altijd vergezeld worden door enige tolken, banjoosten, klerken en verdere Japanse bedienden, die hem op de hielen volgen, en naarmate het aantal Hollanders groter of kleiner is, is ook het gevolg groter of kleiner. Een wandeling in of buiten de stad is altijd een echte ontspanning, die echter vanwege de kosten niet vaak, althans zelden meer dan één of twee maal in de maand plaatsvindt, omdat de wandelaar verplicht is het gevolg van Japanners dat hem vergezelt, te onthalen.


Uitzicht op Nagasaki.

Men heeft in de omstreken van Nagasakki de mooiste uitzichten en wandelingen, en men bepaalt gewoonlijk op zo’n dag een vast punt van samenkomst, hetzij in of buiten de stad waar de Hollandse en Japanse keuken te vinden is en de vrienden zich onderling vermaken. Bij dergelijke gelegenheden zijn de Banjoosten zeer inschikkelijk om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, en men laat ons zelfs door één enkele tolk vergezeld, commissies verrichten. Dit geschiedt ook meestal, omdat zij ruim van alles voorzien worden, en zich op hun gemak te goed doen, en wellicht meer dan wij zelf van het onthaal genieten. Het wordt wel eens oogluikend toegelaten dat men winkels binnengaat, en door tussenkomst van de Compradoor iets koopt. Maar voor het overige mag men in geen enkel burgerhuis komen. De enigste gebouwen die de vreemdeling mag binnentreden zijnde tempels en de beroemde Tjaya’s [chaya] of theehuizen, die zo goed en luimig in het vijfde hoofdstuk van het werkje van den heer MEYLAN1 zijn beschreven dat ik daarvan niets meer zeggen kan dan dat zij uitermate geschikt zijn om een gezelschap van vrolijke gasten op te wachten. Wanneer men zijn intrek neemt in de tempel, wordt men door de kaalgeschoren priester in zijn plechtgewaad ontvangen, maar naderhand, nadat de eerste statige opwachting is afgelopen, is hij de man die zwaar beschonken, met zang en dans de meeste potsen aanricht, en zijn eigen geboden overtreedt door ham, vlees, boter, en wat hem nog meer verboden is, boetvaardig te nuttigen. Alle consumpties die in de stad worden gebruikt, betaalt de compradoor, die dat later met 20% winst in rekening brengt. Iedere Hollander heeft zijn lopende rekening bij die leverancier, welke dagelijks wordt bijgeschreven, waarvan men op het eind van de maand een bewijs krijgt. Op dezelfde manier wordt ook gehandeld met alle goederen die van de overige leveranciers gekocht worden. Deze bewijzen worden door het tolkencollege geverifieerd en vervolgens door de crediteuren bij de geldkamer ingeleverd.
Deze lopende rekeningen worden vereffend met de opbrengst van de bijzondere Kambang-goederen, die ten overstaan van de Geldkamer verkocht en afgeleverd worden. De Geldkamer ontvangt het geld van de kooplieden, en opent voorons voor dat bedrag een krediet, echter met een korting van vijfendertig procent, wat in feite de belasting op de bijzondere verkopen is. Bij het vertrek van de schepen moet iedereen er voor zorgen, dat zijn rekening afgesloten wordt, en de Japanners zijn wat dat betreft zeer nauwkeurig, zodat er zelfs na de grote drukte, die bij het vertrek van schepen plaatsvindt, en de omslachtige wijze van liquidatie zelden een fout wordt gevonden.

1 Meylan, G.F., 1830. Japan. Voorgesteld in schetsen over de zeden en gebruiken van dat Ryk, byzonder over de ingezetenen der stad Nagasaky.

vrijdag 18 februari 2011

Het is verboden contant geld te bezitten en met Japanse kooplieden te handelen. Er zijn bepaalde leveranciers voor de factorij, die, als zij alles niet zelf maken, het verlangde aanbesteden, en op het eiland bezorgen. Voor alles wat levensmiddelen betreft, hebben wij een leverancier, die vlak over de brug, in de stad woont, en die aan de landpoort op het eiland wordt geroepen, door twee plankjes tegen elkaar te klappen. Deze leveranciers hebben een bepaald tarief van alle prijzen, die wel twee keer zo hoog zijn als de stads prijzen, om daarmee de kosten van hun inrichting en het onderhoud van de vele noodzakelijke bedienden te bekostigen. In het leveren van negotiegoederen of Japanse kramerijen zijn de Compradoors zeer billijk, en leveren de beste artikelen. BOEJEMON [Buemon] en SASAYA [Sasaya] zijn de twee leveranciers voor Lak- en verguldwerk. Voor oude modellen hebben zij een vast en billijk tarief, maar bij de geringste verandering die men opgeeft, zijn zij schreeuwend duur, en men moet in de bestelling zeer nauwkeurig zijn, omdat zij zich niet de minste moeite geven in het navolgen van Europese modellen, waardoor het stuk dat aan hun smaak wordt overgelaten doorgaans bedorven wordt. In het algemeen kan men nooit verwachten, dat de Europese modellen die men opgeeft, zo goed en deugdzaam worden afgewerkt als hun eigen uitvindingen, alsof zij jaloers waren dat hun pracht in de handen van vreemdelingen zou blinken. Hetzelfde is het geval met de leveranciers van stoffen, porselein, aarde- en koperwerk. Wil men iets van zilver of goud gemaakt hebben, dan moet men dat metaal erbij geven, want het is verboden iets daarvan uit te voeren. Wij zijn ook gebonden aan de timmerman die de opperrapporteur-tolk jaarlijks op het eiland laat werken. Al deze lieden zijn voorzien van een sjap [merkteken] of zegel, waarmee zij persoonlijk de vrijheid hebben om door de poort te gaan. Er zijn ook Japanse geneesheren en naaldstekers, die voor de dienst op het eiland zijn aangesteld ingeval de Hollandse dokter afwezig is, of zelf hulp nodig heeft. Zij woorden ten alle tijde aan de poort doorgelaten, net zoals de tuinlieden, wassers, enz., die van de Compradoors een sjap of zegel krijgen, als kenmerk van hun vergunning om op Decima te werken. Maar al deze lieden moeten met hun bloed sjappen, of de voorschriften beëdigen, welke ten aanzien van de omgang met de Hollanders worden voorgelegd.

donderdag 17 februari 2011

De tolken zijn zeer talrijk. Zij hebben hun collegie op het eiland, waar dag en nacht een of twee van hen de wacht houden. Jaarlijks wordt er een van de Oppertolken als Opper- en een van de Ondertolken als Onderrapporteur aangesteld, die de zaken over en weer tot de regering brengen en het bestuur over de werkzaamheden hebben. Een Dwarskijker, die tevens de Hollandse taal verstaat, vormt samen met vier Opper-en vier Ondertolken het collegie. Zij sjappen [= voorzien van een zegel] en verzegelen de echte vertalingen van de orders, briefwisseling, afrekeningen en andere stukken. Vaak is echter dit getal overcompleet, en zijn er, behalve deze, nog wel een vijftigtal tolken, die in verscheidene rangen zijn opgedeeld, zoals provisionele, temporaire, Vice Ondertolken, leerling tolken, particuliere tolken, enz., die in de Negotie tijd meestal allemaal hun vaste dienst hebben.
's nachts is er nog een wacht op het eiland van vijf man, die, net de Ottona’s één of tweemaal de ronde doet, en wij zijn door al die bewaking zodanig voor tegen gevaar beschermd, dat men gerust met open deuren en vensters naar bed kan gaan.
Wanneer er op het eiland iets met lossen of laden, of in de pakhuizen te verrichten valt, komt er een Opperbanjoost of een gemachtigde van de Gouverneur op het eiland, met een gevolg van lijfwachten en enige tolken. Zijn aankomst wordt aan de tolken en andere bedienden, die op het eiland aanwezig zijn, aangekondigd door het schreeuwen van “Oeidi di goezarimasi”[oide de gozarimsu], wat betekent: "hij komt!" De Ottona’s en tolken scharen zich, volgens rang, naast elkaar aan de ingang van het lokaal, waar de Opperbanjoost plaatsneemt, en buigen zich wanneer de genoemde beambte voorbijgaat. Deze geeft verlof om de werkzaamheden te beginnen, verleent pas brieven en zegels, en zendt zijn bediende, om de sloten van de pakhuizen open te doen, altijd vergezeld van Onderbanjoosten en schrijvers, die de wacht moeten houden zolang er in het pakhuis wordt gewerkt, totdat dit opnieuw gesloten en weer verzegeld is. Wanneer wij verlangen iets van boord naar onze woning te nemen, moet dit met verlof van de Opperbanjoost geschieden, en alles dat als handelsartikel kan worden aangemerkt, gaat in een afzonderlijk pakhuis, het zogenaamde Kambang pakhuis, waar de ambtenaren en schepelingen hun goederen brengen, die publiek verkocht moet worden.

woensdag 16 februari 2011

Met uitzondering van de tijd van het lossen en laden van de schepen, blijft de waterpoort altijd gesloten. Het contact met de stad heeft alleen plaats door de landpoort, waar een stenen brug over het kanaal ligt. Die poort is altijd bezet met een wacht van Banjoosten of politiebeambten, die echter met het inwendige van het eiland niks te maken hebben. Deze houden aantekening van alles, wat er in-en uitgaat, en laten niemand anders binnen dan degenen die daartoe gerechtigd zijn. Met uitzondering van de Opper- en Ondertolken, en enige andere ambtenaren, wordt iedereen gevisiteerd. Voor deze lijfsbetasting zowel als het onderzoek van de goederen is er een bijzondere bediende, die op een klein bankje in de poort zit. Hij mag de visitatie echter alleen doen in het bijzijn van een van de Banjoosten, en hij wordt door zijn landgenoten, die nogal vaak iets geheim is in een maal verbergen, ogenschijnlijk gevreesd, toch heimelijk veracht. De vaste, op het eiland dienstdoende beambten, zijn de drie Ottona’s of eilandburgemeesters, die elkaar dagelijks op de middag vervangen en het Japanse gezag op het eiland uitoefenen. Zij moeten op de hoogte gesteld worden van alles, wat er op het eiland aangevoerd wordt. Ook mag er, zonder hun medeweten, geen Japanner bij de Hollanders komen. Het is aan hen, om de tolk of de leverancier die zich aanmeldt, te vergezellen of aan hem een Kasseros mee te geven. Volgens de wet, mag niemand bij de Hollanders komen, zonder door een van deze ambtenaren, of zogenaamde Dwarskijkers vergezeld te worden, hoewel er oogluikend niet stipt aan deze wet wordt voldaan. Deze Dwarskijker zijn echter niet zeer moeilijk, en hun gezelschap is weinig hinderlijk voor de kleine geheime, die men voor hen zou moeten verbergen. Met uitzondering van de twee Dwarskijkers van de tolken verstaan zij het Hollands niet eens, en zij vallen dikwijls in slaap bij het gesprek waarvan zij niets begrijpen en dat zij als stenen poppen aanhoren.

dinsdag 15 februari 2011

Men betaalt jaarlijks voor de door ons gebruikte gebouwen een vastgestelde huurprijs, waarvoor de Japanners de pakhuizen geheel onderhouden en desnoods vernieuwen. Maar van de woningen gaat hen alleen de ruwe betimmering aan, zoals het dak, de muren, de zolder, de vloeren, de trap, de vensters, de stoep, de kombuis en de verdere ruwe opstand. Al het raam- en lijstwerk, het behang en de meubilaire inrichting is voor de rekening van de bewoner of zogenaamde eigenaar, die echter geen herstelwerkzaamheden zonder toestemming van de huisbazen kan doen. Op dezelfde wijze zijn er ook woningen ingericht voor de gezagvoerders van de schepen die in Japan op de wal verblijven. De huizen van de Hollanders zijn wel niet groot, maar zindelijk, en op Europese wijze gemeubileerd. Men voorziet zich van hetgeen hiertoe vereist wordt op Java, of de Japanners maken dit op onze bestelling. Het is geoorloofd zoveel bedienden te nemen als men wil, maar de mannelijke dienstboden mogen 's nachts niet op het eiland blijven. Hoewel ik niet weet, dat er een echte wet bestaat, die de Hollanders verbiedt hun vrouwen mee te nemen naar Decima, hebben de Japanners dat altijd tegengehouden, en geweigerd daarvoor toestemming te geven. Ook hebben zij nooit toegestaan dat een Europeaan zijn kind, dat hij bij een Japanse vrouw verwekt heeft, meenam. Zulke kinderen mogen niet eens op het eiland geboren worden, net zomin als er een Japanner mag sterven, en het wordt als een bijzondere gunst gezien, als dergelijke kinderen in hun jeugd op het eiland mogen komen. Zo’n gunst moet worden gekocht als een dienst, door tussenkomst en bekrachtiging van het Japans gouvernement. Deze kinderen staan gelijk aan alle overige Japanners, en er wordt ten opzichte van hen in geen geval enige uitzondering gemaakt.


Deshima, met de landpoort en de waterpoort.

maandag 14 februari 2011

Omdat het verslag van Van Overmeer Fisscher niets vermeld over de tijd waarin de stoet in Shimonoseki verblijft (14 tot 22 Februari), zal vandaag worden begonnen met het hoofdstuk over Deshima.

Decima De factorij van de Nederlanders in Japan.



De ligging tegen de stad Nagasakki, waarvan wij slechts door een smal kanaal van ongeveer 30 voet breed zijn afgescheiden, maakt, dat men aan die kant weinig uitzicht heeft, temeer, daar de hele walkant die met huizen is bebouwd, het uitzicht op de straat, de Jedomatsi [Edomachi], wegneemt. Maar daarentegen heeft de gehele overige omtrek van het eiland een vrij uitzicht zowel over de baai, als landwaarts. De baai is altijd levendig, en er heerst een gedurige beweging van vaartuigen. Aan de linkerkant heeft men uitzicht op een bergachtig gedeelte van de stad, en ook op heerlijke akkers en dorpen, die zich in het verschiet verliezen.
In de brede straat van het eiland, die met een kleine bocht van de waterpoort tot het andere einde loopt, liggen de huizen van de Hollandse ambtenaren, die ieder een afzonderlijke woning hebben. Deze ambtenaren zijn; een Opperhoofd, een Pakhuismeester, een Scriba of boekhouder voor de handel, een Geneesheer, vijf Assistenten of Klerken en twee Pakhuisknechts. De Nederlandse regering geeft de tafel, en zij verenigen zich, met uitzondering van de Pakhuisknechts, hiervoor tweemaal daags bij het Opperhoofd, die een zeer groot en goed getimmerd gebouw bewoont dat vooral ook zo ruim is ingericht, om er de Japanse Groten naar behoren te kunnen ontvangen. De overige huizen zijn naar de rang der bewoners minder groot en van meer of minder gemakken voorzien, naarmate zij die willen bekostigen. Meestal gebruikt men het benedenhuis als bergplaats, en het bovenhuis als woning. Behalve dat deze straat aan weerszijden ook met pakhuizen tussen de woonhuizen is aangevuld, staan er ook langs de heiningen of paggers [omheining van bamboe] enige gebouwen als pakhuizen en woningen tot verblijf van de Japanse tolken, van de Ottona’s [otona]of Burgemeesters van het eiland, van de zogenaamde Kasserossen [uit het Portugees?] of huisbazen (in het Japans kfoemi gasira [kumigashira] genoemd), en van de wachten van het eiland, terwijl er ook nog een plek grond overblijft, die behalve de koeienkraal, twee tuinen bevat, waarbij een ruim gebouw staat , dat gewoonlijk gebruikt wordt voor het nieuwe opperhoofd, als hij aankomt om zijn voorganger af te lossen.

zondag 13 februari 2011

De 13e staken wij over naar Simonoseki [Shimonoseki], het westelijkste punt van het grote eiland Nipon //Nippon = Honshū//, alwaar wij tot de 22e vertoefden, om onze bark te laden en op een goede wind te wachten.

Men ziet op de genoemde overtocht in de verte de stad Dayrie [Dairi], in vroegere tijden de zetel van de geestelijke keizer, en midden in het vaarwater de klip, waarop de vermaarde Tayko sama [Taikō sama = Toyotomi Hideyoshi (1537-98)] schipbreuk leed, hetgeen de gezagvoerder van zijn vaartuig het leven kostte. Men heeft op deze klip een zuil of een Tempeltje gebouwd, zowel ter nagedachtenis aan dit voorval, als aan het overlijden van een jonge prins uit het geslacht van Heike, Antokftenno [Antoku Tennō, ca 1183] genaamd, die, in de armen van zijn min of voedster, zijn leven opofferde om niet aan zijn vijanden uitgeleverd te worden. De min namelijk verdronk zich met den zevenjarige prins.


Uitzicht op Simonoseki. (Uit: Nippon)

Simonoseki is een handelsplaats, waar buitengewoon veel scheepvaart is. Men drijft hier een grote handel in rijst, tarwe en andere granen, gedroogde vis en houtskool, en werkt er buitengewoon fraai in steen, waarvan we enige kleinigheden kochten. De stad ligt aan zee, en telt onder verscheidene andere, de vermaarde Amidais [Amida] tempel die gesticht is ter nagedachtenis aan de jonge held die hiervoor genoemd is. Hij is bij deze tempel begraven met zijn voornaamste dienaren, en men vertoont hier zijn wapens, afbeeldingen en ook een beeld van hem levensgroot in brons gegoten.

zaterdag 12 februari 2011

De 12e. Hoewel we afgesproken hadden om vroeg te vertrekken, was er op het afgesproken uur niemand klaar, waarschijnlijk door de grote vermoeienissen van gisteren. Wij gingen te voet, met een paar dienaars vooruit, en legden de hele weg tot Kokura, die vijf uur lang is, te voet af, alwaar wij de eerste van de trein waren. De weg liep eerst door fraaie sparrenbossen, en naderhand, langs een bergachtige gedeelte, naar de zeekant, waar men de prachtigste uitzichten op het grote eiland Nippon heeft. Kokura, de zetel van de Landsheer, is een grote stad, met een kasteel, zeer vrij gelegen aan het kanaal, dat de eilanden Nipon en Kiusju [Kyūshyū] van elkaar scheidt, op een afstand van ongeveer 60 mijlen, of uren gaans, van Nagasaki. De inwoners zijn gewend, de Hollandse geneesheer hier over hun ziekten te raadplegen, en inderdaad, in de namiddag wordt het huis gevuld met allerhande lijders, die zoveel mogelijk verpleegd en met geneesmiddelen begiftigd werden.

vrijdag 11 februari 2011

De 11e hadden wij een zware tocht over het Fiamistogie’s [Hiyamizutōge] gebergte omdat door de hevige regens de wegen voor de dragers zeer glibberig waren. Volgens gebruik verbleven wij een paar uren in de plaats met dezelfde naam, om de vrienden op sake e.d. te onthalen, hetgeen geschiedt om de trein met de geschenken en de andere zware bagage de tijd te geven om ons voor te blijven, omdat wij die anders zouden inhalen, en als wij gelijk met hen op een plaats zouden aankomen om van dragers en paarden te wisselen, zou er verwarring kunnen ontstaan.
In Oesino [Uchino], aan de voet van het gebergte waar de waard ons fazanten, eenden en eieren aanbood om ons te verwelkomen, moesten we opnieuw enige tijd vertoeven.



Na in Jetska [Izuka] het middagmaal te hebben gebruikt, kwamen wij ’s avonds toen het al donker was voor de rivier de Setogawa waar 30 vaartuigen klaar lagen die in 10 minuten de hele trein overzetten. De grote hoeveelheid lantaarns en flambouwen maakten deze overtocht zeer gunstig en fraai. Wij overnachtten in Kayanossa [Koyanose].

donderdag 10 februari 2011

De 10e reisden we door een vlakke streek, en kwamen door verschillende dorpen, van welke wij in Tazjiro [Tashiro] het middagmaal gebruikten. Bij het dorp Harda [Harada] begint het grondgebied van Tsikwiseeng [Chikuzen]. Wij kwamen al vroeg in Jamij [Yamaie] aan, waar een kabinet van stenen te bezichtigen is. Het viel ons erg tegen en is de moeite van het bezichtigen niet waard. De oude Onderbanjoost die ons vergezelde, had 40 jaar geleden de hofreis al eens gemaakt met het opperhoofd Titsingh en ook bij die gelegenheid ditzelfde kabinet van stenen moeten bezichtigen.

woensdag 9 februari 2011

De 9e vroor het sterk; alle rijstvelden waren met ijs bedekt. We waren 's morgens met lantaarns op weg gegaan, en kwamen nu in het gebied van Fizeeng [Hizen], waar we enkele soldaten meekregen als geleide. We passeerden de grote kamferboom in het gehucht Odan [Oda] de stam van deze boom is helemaal hol en het is bekend dat er 12 mensen in kunnen zitten sackineren [sake drinken].



Men ziet aan de buitenkant in de stam uitgehouwen een beeld van de God Kwanon [Kannon], en overal in de boom zijn prentjes en briefjes met namen geplakt.



We gebruikten het middagmaal in Oetsoetsoei [Ushitsu], en kwamen in de namiddag door Saga, de hoofdstad van het landschap Fizeeng. Deze plaats is meer dan 1 uur gaans lang en beroemd wegens haar mooie vrouwen. ‘s Avonds kwamen wij in Kansaki [Kanzaki] en we overnachtten aldaar in de tempel Sinsoki [Shinkōji] van de Ikosju- [Ikkōshū] sekte.

dinsdag 8 februari 2011

De 8e.
Buiten Sonogi gingen wij wandelen, en hielden ons een ogenblik op bij de hut van een grijsaard, die van zijn jeugd af altijd genoegen had geschept in het zien voorbijtrekken van de Hollanders. Hij was bijna 90 jaar oud, en hier samengekomen met een groot gedeelte van zijn nageslacht. Meer dan 40 keer had hij nu reeds onze trein voorbij zien trekken, en hj scheen oprecht gelukkig die dag opnieuw te beleven. Hij kreeg van het opperhoofd een drinkpenning om zijn gezin te onthalen. Wij ontmoetten die dag een transport van enkele Koreanen, die bij het landschap Nagats [Nagatsu]schipbreuk hadden geleden, en nu naar Nagasakki vervoerd werden.
In Oresino bezichtigden wij het warme bad, en voelden ons hier al verplicht enkele kleinigheden uit de deden aan de Japanse dames, die verzochten ons tijdens het middagmaal te mogen bezoeken.
’s Avonds bekeken wij in Takywo [Takeo] een zeer fraaie badhuis van de Landsheer waarbij ook een warme bron gevonden wordt.

maandag 7 februari 2011

In Omura, [Ōmura]de hoofdplaats van het landschap met dezelfde naam, gebruikten wij de volgende dag, 7 februari, het middagmaal.













Op de grens van het landschap stonden een paar soldaten, om ons te begroeten, en de toeloop van volk was hier zodanig, dat er zelfs in het logement geweld gebruikt moest worden om de mensen tegen te houden, hoewel zij alleen uit nieuwsgierigheid elkaar verdrongen om ons te zien, zonder ons of elkaar met die woestheid en onbescheidenheid te bejegenen, die men dikwijls bij soortgelijke gelegenheden onder de lagere klassen van de Europeanen aantreft. Wij overnachtten in Sonogi, en overal waar wij 's avonds aankwamen werd gewoonlijk met de Opperbanjoost en de tolken overlegd welke afstand wij de volgende dag zouden afleggen. Dit gebeurt echter meer volgens oud gebruik, dan uit noodzakelijkheid, en dient ook om de goede vriendschap te onderhouden, en de gelegenheid te hebben die heren te onthalen op een glas punch, want de reis is reeds zo vaak gedaan, dat de verdeling van de middag- en nachtherbergen gewoonlijk dezelfde blijft.

zondag 6 februari 2011

1822, de 6e februari.
Heden, de 15e van de Japanse eerste maand (Sioguats), de vastgestelde dag voor ons vertrek, kwamen reeds vroeg de Japanse bedienden op het eiland, om de geschenken en de bagage af te halen, en wij vertrokken te 8.30 uur van het eiland. De achterblijvende Nederlanders deden ons uitgeleide tot aan de Mosseltrap. Het gezag op het eiland werd toevertrouwd aan de oudste aanwezige ambtenaar, en wij gingen in de norimond onder de toeloop van een menigte volk en vrienden, die ons reeds hier opwachtten om ons uit te geleiden. Volgens gebruik vertoefden wij buiten de stad in de tempel Tenzin, waar de Opperbanjoost ons ontving, en wij gezamenlijk met een aantal Japanse vrienden moesten drinken op ons afscheid. Tegen 12:00 uur van hier vertrekkende, vonden wij op de grens van de stad en op verschillende andere plaatsen, tolken, leveranciers en een menigte Japanners, die ons een laatste groet brachten, waarna wij aankwamen in Jagami, waar wij het middagmaal gebruikten, en eindelijk ‘s avonds om 10:00 uur in Isahai [Isahaya] , waar wij in de tempel logeren, en veel hinder hadden van de kou en de slecht rokende kolen.

zaterdag 5 februari 2011











Reis naar Jedo


De Hollanders, die in Japan hun verblijf houden, worden daar niet zo zeer beschouwd als kooplieden, maar eerder als beambten, of, zoals de Japanners het noemen, Jakfnins [jakunin], om de vriendschappelijke betrekkingen tussen de beiden naties te onderhouden. Het is in die hoedanigheid, dat zij toegang hebben tot het Hof, waarheen zij dan ook vroeger jaarlijks een reis maakten. Sedert 1790 echter heeft dit slechts om de vier jaar plaats, terwijl in de tussenliggende jaren de vooraf bepaalde geschenken door een commissie van tolken en andere bedienden naar het hof worden gebracht, waar de in Jedo verblijvende Gouverneur van Nagasakki, in hun naam, de plichtplegingen aflegt onder het aanbieden van die geschenken.

Wanneer de tijd voor deze reis nadert, heeft men het heel druk met de voorbereidingen, en zijn de Japanners nog meer bezorgd dan de Hollanders zelf, om met hun hele gevolg in de uiterste orde een netheid te verschijnen. Voor de laatsten, die zelden in de gelegenheid zijn deze belangrijke reis een tweede keer te maken, zijn het inwinnen van informatie over de belangrijkste dingen die hen kan overkomen en over de gebruiken, welke zij in acht moeten nemen, alsmede het kennismaken met de reisgenoten en het aanschaffen van de reisbenodigdheden, de voornaamste bezigheden. Als overblijfsel van in oude tijden bestaan hebbende Indische gebruiken, is het gebruikelijk om zich voor deze reis meer dan gewoonlijk uit de dossen. Men neemt ook speciaal kleinigheden mee, zoals kralen, glazen, pennetjes, ringetjes, spelden, knoopjes en andere Neurenberger bijouteriën, om tijdens de reis uit de delen aan de gewone mensen, die er een bijzondere waarde aan hechten om het een of ander uit de handen van een Hollander of een andere vreemdeling te ontvangen. Daarom doen zij veel moeite om de Hollanders te zien, en nog meer, om een aandenken van hen te krijgen.

Toen ik het genoegen had mee te gaan op de reis naar het hof, was de Heer J. COCK BLOMHOF, Ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw, en opperhoofd van onze handel op Decima [Deshima], de Nederlandse gezant, die de reis voor de tweede keer maakte, en die ik als scriba of secretaris met de geneesheer N. TULLINGH vergezelde.

De Japanse beambten bestonden uit een Opperbanjoost, die het hoofd van de trein is, en omdat hij met een Keizerlijke gezant reist, wordt hij overal geëerbiedigd en ten trouwste gediend. Zijn ondergeschikten zijn drie Onderbanjoosten, en wij hadden verder tot onze hulp en gezelschap de Oppertolk ZOEJENAGA ZINSAYMON, de Ondertolk NAKAJAMA SAKFSABRO en de Vice-Ondertolk SIGE TOKIZERO.



















Om een indruk te geven van de grote omvang van deze reis, zal ik in het kort een schets laten volgen van de gehele trein [stoet]van de geschenken en bagage, naar de volgorde, zoals die langs de wegen worden gevoerd.

De zogenaamde Hofreisbark, waarvan wij voor onszelf gebruikmaken van Simonosekij [Shimonoseki] naar Osaka, vertrekt enige dagen vroeger uit Nagasakki [Nagasaki], alleen geladen met de etenswaren, verpakt in een dertigtal kisten, en van de overige bedienden de bagage, die men in het begin niet nodig heeft. Al het overige gaat over land, beginnende met 10 tot 12 lange koffers, volgepakt met lakens, chitsen [textiel], polemieten [bonte geweven stoffen], lakenrassen [zeer fijne, geschoren wol], kroonrassen [eerste kwaliteit zeer fijne, geschoren wol], perpetuanen [zeer duurzame, driedradige wollen stof], Taffachelassen [fijne, gestreepte zijden of katoenen weefsels uit Coromandel], Armozijnen [dunne zijde- of katoenachtige stof, veelal als voering gebruikt], Goudstoffen en datgene wat verder als geschenk bestemd is, alles nauwkeurig afgemeten en zeer zorgvuldig in geolied papier verpakt, vervolgens met een fijne mat, en daarna met een stromat, die alle op een bepaalde maat en vorm zijn vervaardigt, omwikkeld, terwijl men tenslotte de kast of de koffer met een zwart touw dichtbindt, verzegelt, en op een slee of draagbaar vastsjort. De laatste wordt ook aan een lange stok vastgemaakt, waaraan die last door twee of drie man wordt gedragen.
















Wij hadden ook ditmaal twee extra koffers met pendules, bestemd als buitengewone geschenken, die met de andere geschenken werden vervoerd, en samen een afzonderlijke trein vormden, die steeds enkele uren vooruit reist, onder toezicht van een treinmeester, twee schrijvers of klerken van de tolken, een koeliemeester, en nog een paar gouvernementsbedienden, die, met uitzondering van de koeliemeester, gedurende deze reis altijd twee stabels dragen; sommigen hebben een norimond [= norimoro] of palankijn [gesloten, overdekte draagstoel] en de anderen huren beurtelings een cango of draagstoel, om uit te rusten, en elkaar te vervangen bij de bewaking van die goederen.

Daarna volgden onze grotere bagagekoffers, die ook ingepakt zijn, en alleen worden geopend in grote steden. Het Opperhoofd heeft twee zeer grote kasten of koffers, en vier knasters [een uit riet (canna) gevlochtene kist of korf] en de scriba en doctor hetzelfde met hun beiden. Opperbanjoost, tolken, Onderbanjoosten, van allen is de hoeveelheid bagage vast bepaald, doch over het algemeen is het een vracht, waartoe tenminste 100 mensen en 20 paarden nodig zijn, terwijl ook onder onze bagage het beddegoed van al de bedienden is begrepen, dat op paarden wordt vervoerd. Eenmaal met de bark in Osaka aangekomen, moeten alle goederen, die tot dan vanaf Nagasakki in de bark geladen waren, ook over de grote landweg worden gedragen, hetgeen de hiervoor genoemde trein nog doet toenemen met een veertigtal goed voorziene kisten en koffers.



















De etenswaren, die door Opperhoofd worden meegenomen, bestaan uit wijn en en andere dranken, boter, kaas, gerookt en gezouten vlees, koffie, suiker, specerijen, banket, confituren en wat meer van dien aard en in Japan niet te krijgen is; maar wild, gevogelte (vooral goede hoenders), groenten, vis, enzovoort, vindt men overal voldoende, en weten de koks zich zeer goed aan te schaffen om ons dagelijks een goede tafel te bereiden. De twee Japanse koks, die ook op het eiland speciaal in dienst van het Opperhoofd zijn en ons nu vergezellen, hebben altijd twee stel tafelgereedschap voor drie of vijf personen bij zich, dat in een daartoe ingericht buffet wordt opgeborgen, met een kleine voorraad van wat zij voor enkele dagen denken nodig te hebben. De ene verzorgt het eten in de middagherberg, en de andere zorgt voor het avondeten. Zij reizen 's nachts of vroeg genoeg vooruit, om alles in te richten, en vinden in de afgesproken logementen, keuken- en verdere benodigdheden ter beschikking, zodat wij het genoegen hebben, 's middags en ‘s avonds altijd de tafel gedekt de vinden. Bij ieder buffet worden zelfs drie stoelen en een tafel meegedragen, en men is in het begin zeer verrast, wanneer men zich zo geheel afgescheiden van al wat Europees is, eensklaps in een vertrek bevindt waar de tafel, met welbereide spijzen voorzien, het idee van zich in zulk een vreemd land te bevinden, geheel wegneemt. Ons beddegoed wordt ook in grote kisten meegevoerd, maar behalve het tot dusver vermelde, is er niets in ons persoonlijk gevolg dat afzonderlijk een meer volledige beschrijving verdient.

Vooraan in de trein loopt een treinmeester, met een koeliemeester, waarna de twee jongste Opperbanjoosten in norimonds volgen, elk met zijn bediende bij zich, en vergezeld van twee hassambakodragers.

Ook is er doorgaans een schrijver van de tolken die deze trein in zijn Cango of draagstoel voorafgaat, daarna de Vice-Ondertolk en Ondertolk, ieder met zijn bediende, en twee hassambakodragers.

De Hollandse geneesheer in zijn norimond, een van de vaste Japanse bedienden van het Opperhoofd op Decima, en een bediende die het Japanse gouvernement hem gedurende de reis toevoegt. De laatste is tevens een soort van dwarskijker [spion].
De medicijn kist, die door twee man gedragen wordt en met kleden overdekt is.
De Scriba in zijn norimond met twee bedienden. De norimond wordt evenals die van de doctor door drie of vier man gedragen.
Een norimonds-oppasser.
Twee koeliemeesters.
Het Hollandse Opperhoofd in zijn norimond met acht dragers, die kabaaijen [kledingstuk zoals dat gewoonlijk in Oost-Azie wordt gedragen als een lang, los vallend hemd] dragen die versierd zijn met de letters van de Oost-Indische Compagnie, en die elkaar van tijd tot tijd aflossen. Tevens aan weerszijden twee bedienden, die elkaar, net als die van de twee andere Hollanders, 's morgens en 's middags vervangen.
Een bediende die de schoenen en muilen in een leren doos bewaart.
Een Tjabinto [chabento] of twee kasjes (die aan een stok gedragen worden), die vuur en kokend water bevatten, om ten alle tijde thee te kunnen maken, en die ook voor het opbergen van enkele versnapering dienen.
Een drager met een stoel of een krukje.
Het zogenaamde Opperhoofdskantoor, of een ladetafel voor het opbergen van papieren, enz., deze is zwart gelakt en met een rood lakens overkleed bedekt, waarop de gouden letters van de Oost-Indische Compagnie staan. Deze wordt door drie man gedragen.
Twee paar hassambakko’s, kleine koffertjes met kleren voor dagelijks gebruik, van het Opperhoofd en twee paar van de Scriba en de Doctor.
Twee dragers met Kappa Cagos , manden waarin de lantaarns en regenkleding opgeborgen worden.
De Oppertolk in zijn norimond, met twee bedienden, gevolgd door zijn kantoor; en twee hassambakko’s en Kappa Cago. Deze ambtenaar houdt de kas en de administratie der ongelden bij, die hij aan de geldkamer moet verantwoorden. En daarna volgt:
De Opperbanjoost met twee bedienden, waarachter een piekendrager loopt.
De harnaskast, die zijn oorlogsuitrusting bevat.
Twee Hassambakko’s.
Twee Kappa Cago’s, en eindelijk:
De oudste Onderbanjoost, met enige bedienden, die te voet of in draagstoelen de trein volgen; en met enige dragers van Hassambakko’s en ander reistuig de trein sluiten.
Men merkt in deze volgorde op, dat in de Japanners optochten altijd de hoogste in rang de mindere voorop laten gaan. De linkerzijde is bij de Japanners de hogerhand. Men vindt in hun gebruiken vaak dergelijke tegenstellingen met onze gewoonten.

vrijdag 4 februari 2011

Introductie

De Hofreis van 1822.

Het is al een beetje traditie dat er ieder jaar op de website van het SieboldHuis een verslag of dagboek van de Hofreis verschijnt in de vorm van een weblog. Ook dit jaar is dat zo.
Toen ik een paar maanden geleden het boek “Bijdrage tot de kennis van het Japanse Rijk” van J. van Overmeer Fisscher (1833) onder ogen kreeg, zag ik dat ook hij een hoofdstuk aan de hofreis gewijd had., Na een korte inleiding en een beschrijving van de volgorde van de stoet, geeft Fisscher een beschrijving van de heenreis in de vorm van een dagboek, maar van de terugreis worden maar enkele dagen beschreven. De schrijfstijl van Fisscher is heel anders dan die van De Cock Blomhoff, Von Siebold of De Sturler. Ze zagen op verschillende reizen vaak de zelfde dingen maar beleefden en beschreven het op hun eigen manier. Het werk van Fisscher is heel makkelijk leesbaar.
Johan Gerhard Frederik van Overmeer Fisscher (1800-1848), zoon van de Burgemeester van Harderwijk, was 4 jaar jonger dan Philipp von Siebold, maar kwam al in 1820 in Deshima, hij verliet Japan samen met Von Siebold, op de laatste dag van 1829. In 1822 mocht hij met de hofreis mee als secretaris. Tijdens de hofreis van Von Siebold, in 1826, hield hij, inmiddels gepromoveerd tot Pakhuismeester, als vervanger van Opperhoofd De Sturler, een officieel dagboek bij van de gebeurtenissen op Deshima. Wellicht kunnen dat dagboek hier volgend jaar openbaar maken.
Fisscher reisde in 1822 mee met het Opperhoofd J. Cock Blomhoff, die de hofreis toen voor de tweede keer maakte. Van de Hofreis van 1818 hield Blomhoff niet alleen een officieel Dagregister bij, hij maakte er ook een verslag van speciaal voor zijn vrouw Titia. Het boek van F. Effert en M. Forrer (2000) waarin dit verslag is gepubliceerd: “De hofreis naar de shōgun van Japan. Naar een verslag van Jan Cock Blomhoff van de hofreis in 1818.” is momenteel voor een heel aantrekkelijk prijsje te koop in het SieboldHuis. Omdat er in dit boek veel wordt uitgelegd over personen en zaken die ook een rol spelen in deze hofreis, is het heel geschikt om te lezen naast het nu volgende weblog.

Op dagen dat Van Overmeer Fisscher niets vermeldt in zijn verslag van de reis, zullen o.a. zijn aantekeningen over Deshima hier gepresenteerd worden.
De zinsbouw en spelling van oorspronkelijke tekst is aangepast aan de hedendaagse stijl.

Als er niets anders vermeld wordt, zijn de illustraties gemaakt door Kawahara Keiga en afkomstig uit de collectie van het Museum Volkenkunde in Leiden.

Martien van Oijen 4/2/ 2011

Hieronder volgen delen van: J. F. van Overmeer Fisscher, 1833. Bijdrage tot de kennis van het Japansche rijk. Muller & Co, Amsterdam.
Verslag van de Hofreis naar Edo in het jaar 1822. pp 281-320.
Decima, De factorij der Nederlanders op Japan. pp. 264-280.

vrijdag 6 augustus 2010

Slotopmerkingen bij het Dagregister van Johann Wilhelm de Stürler
door Martien van Oijen

Inleiding
Van 22 december 2009 tot 6 augustus 2010 stond een deel van het Dagregister [= officieel dagboek] van Kolonel Johann Wilhelm de Stürler, opperhoofd van Deshima van 1824- 1826, op de website van het SieboldHuis. De dagregisters van het opperhoofd werden ieder jaar met de terugkerende schepen naar Batavia gestuurd om de autoriteiten aldaar op de hoogte te houden van de ontwikkelingen op de handelspost in Japan. In Deshima werd een kopie van het dagregister bewaard. De opperhoofden lazen de dagregisters van hun voorgangers nauwkeurig om te achterhalen wat vroeger wel of niet toegestaan was. De Japanners waren erg conservatief in hun omgangsregels. Als iets eenmaal beschouwd werd te behoren tot het zogenoemde “kapittel” (= de gebruikelijke gang van zaken), was het heel moeilijk om te veranderen.
Kolonel De Stürler was van 28 juni tot 12 augustus 1823, samen met Philipp von Siebold, van Batavia naar Japan gezeild. De Stürler maakte als Opperhoofd-gezant de Hofreis van 1826 mee en keerde aan het eind van datzelfde jaar terug naar Batavia. Als opperhoofd was De Stürler verantwoordelijk voor het gedrag van alle “Nederlanders” op Deshima. Von Siebold was echter van mening dat hij een speciale opdracht had gekregen van Gouverneur Generaal Van der Capellen en dat hij daarover geen verantwoording hoefde af te leggen aan het opperhoofd van de handel. Von Siebold was heel vrij in de omgang met Japanners en deed dingen die volstrekt verboden waren (Zo nam hij bijvoorbeeld Japanse jagers in dienst om dieren te kunnen verzamelen). Als gevolg hiervan kwam Von Siebold regelmatig in conflict met De Stürler, die qua leeftijd zijn vader had kunnen zijn.

Het hier gepresenteerde deel van het dagregister ging over de laatste acht maanden dat De Stürler opperhoofd van Deshima was. Op 19 december 1825 sloot hij het dagregister van dat jaar af om het mee te kunnen geven met de naar Batavia terugkerende schepen. Op 20 december begon hij een nieuw dagregister dat eindigde op 5 augustus 1826 toen hij de leiding van de factorij in handen gaf van zijn opvolger G.F. de Meijlan, die op die dag op het eiland was aangekomen.
Tijdens de vijf maanden van de hofreis hadden De Stürler en Von Siebold waarschijnlijk veel meer contact dan op het eiland Deshima; ze aten en sliepen in dezelfde herbergen, baadden gemeenschappelijk in hete bronnen, vierden feest, en maakten ruzie. Als Opperhoofd gezant was De Stürler uiteraard officieel de belangrijkste man. Het opperhoofd was ook de enige Nederlander die de Shogun mocht begroeten (Let wel, op zijn knieën en diep voorovergebogen, zodat ook hij hem niet kon zien).

In het verslag van de hofreis dat Von Siebold publiceerde in zijn overzichtswerk Nippon, schrijft hij het volgende over De Stürler (Uit de vertaling van Van Oijen & Van Oijen, 2005):
“Met de verwachtingen die ik had van de kant van onze gezant, kolonel de Stürler, was het niet zo goed gesteld, want ik moet het met droefheid bekennen; juist de man die op Java zo'n warm aandeel had gehad in mijn missie en haar met zoveel ijver had gesteund, toonde zich nu, in Japan, niet alleen onverschillig of koud tegen alles wat mijn onderneming betrof, maar hij probeerde haar zelfs door een hele reeks hindernissen te verlammen of toch minstens te bemoeilijken.
Ik weet niet of de oorzaak van deze onwelwillende stemming gezocht moet worden in de aanbevelingen van onze regering, die mijn werkterrein verbreed had en mij meer zelfstandigheid in het wetenschappelijke onderzoeksgebied had gegeven, of omdat mijn onderzoek te dicht bij zijn eigen interesse kwam, of zijn plannen doorkruisten, of dat het komt door ziekelijkheid en ongenoegen, veroorzaakt door de minder gunstige uitkomst van zijn voorstellen ter verbetering van de handel.
Hoe het ook zij, mijn uitzending en uitrusting voor een onderzoek van Japan blijft hoe dan ook zijn eerste verdienste en daarvoor wil ik hem hier erkentelijk zijn.
Als de heer de Stürler het mooie doel van zijn eigen bestemming, en de bedoelingen die de regering daarmee had, onwrikbaar voor ogen had gehouden, en met volharding had gevolgd, dan zou zijn verblijf in Japan, zijn missie aan het hof van Jedo, en ook zijn overige stappen ter bevordering van de handel en het verwerven van grotere vrijheden, met het succes bekroond zijn, hetgeen ze ongetwijfeld verdienden; ze hadden dan in de geschiedenis van de Nederlandse handel met dit land een glanzend tijdperk gevormd.”

In Von Siebold’s verslag van de Hofreis wordt De Stürler regelmatig genoemd, meestal naar aanleiding van een incident waarbij Von Siebold zich stoorde aan het gedrag van het opperhoofd.
In het officiële dagboek van De Stürler zijn deze incidenten nauwelijks terug te vinden en Von Siebold of “de Doctor” zoals hij aangeduid wordt door De Stürler, wordt zelden genoemd.

Wie was J. de Stürler?
Onderstaande gegevens over J. de Stürler, gekopieerd uit de Genealogische aanteekeningen van de familie de Stürler, werden mij welwillend toegezonden door Mw A. de Sturler.

“ JEAN GUILLAUME DE STÜRLER, Kolonel in Nederlandsche dienst is geboren te Maastricht den 7 December 1774 en overleden te Parijs den 9 Januarij 1855.
Hij trad als Kadet der Artillerie in dienst in 1788, werd onder-Luitenant surnumerair in 1790 en 2de Luitenant den 27 December 1790. Hij woonde de veldtogten bij van 1793 en 1794 onder Zijne Hoogheid den Erfprins van Oranje. Den 18 Augustus 1793 werd hij door een matte kogel op de borst en den 13 September door een kogel aan de regter heup gewond. Hij heeft in 1795 de dienst verlaten, en in civiele dienst geplaatst, werd hij in 1808 als Inspecteur der Belastingen belast met de organisatie in het Departement van Oost- Vriesland; in 1811 was hij Controleur der Belastingen in het Departement van de Eems; daarna is hij verplaatst als Ontvanger principaal in het Arrondissement Assen, Departement van de Wester Eems.
In 1813 werd hij Kapitein der Artillerie bij besluit van het voorloopig Provisioneel Bewind en was den 24 November 1813 als Kommandant der Artillerie bij de bemachtiging van het fort Halfweg (Haarlem) en tot 1 December 1813 bij de inneming van Muiden en de blokkade van Naarden tot 13 Mei 1814.
In 1815, den 21 Januarij, ontving de Kapitein Stürler de benoeming van Inspecteur der lste klasse bij de Indische militaire Administratie; in 1819, den 25 April, die van Inspecteur met rang van tweede Kolonel en eindelijk in December 1819 die van Kolonel en chef der Oost-Indische militaire Administratie en is als zoodanig gepensioneerd den 3 Mei 1827. Intusschen was hij van 1824 -1826 Opperhoofd van den Nederlandschen handel op Japan.
De Kolonel de Stürler was den 21 Februarij 1797 gehuwd met vrouwe Sibilla Elisabeth van Biesen, geboren den 3 Maart 1774 en overleden den 28 September 1807; den 30 Junij 1816 huwde hij andermaal met vrouwe Willemina Maria Koli, geb. 21 Maart 1790 en overleden den 12 October 1817.”
Er is geen portret bekend van J. de Stürler.

Uit het op de website van het SieboldHuis gepubliceerde deel van het dagregister komt De Stürler naar voren als een goed opgeleid man die veel over heeft voor goede banden met Japanners, maar voortdurend problemen heeft met de tolken die de stoet vanaf Deshima begeleidden. Ook Von Siebold schreef in “Nippon” dat de tolken niet te vergelijken zijn met gewone Japanners, omdat ze bedorven zijn door jarenlange omgang met de Nederlanders en de handel op Deshima.
De Stürler werd drie jaar na zijn vertrek uit Japan, voor zijn aandeel in de kaarten affaire, net als Von Siebold “voor eeuwig” verbannen uit Japan.

De transcriptie
Het handschrift van de Stürler in het dagregister was niet altijd makkelijk te ontcijferen. Ik heb gewerkt vanaf een kopie op film in het Nationaal Archief in Den Haag die ik ter plaatse op een beeldscherm heb bekeken en heb opgeslagen een memorystick om thuis te bewerken. Voor assistentie bij het opzoeken van gegevens en het bedienen van de apparatuur ben ik dank verschuldigd aan de heren Leurdijk en Kanhai.
De taal in het dagregister wijkt af van modern Nederlands. Zelfstandige naamwoorden worden er vaak geschreven met een hoofdletter. Veel woorden hebben een afwijkende spelling (bv Dingsdag en Saturdag), op veel plaatsen is de “ch” vervangen door een”g”. De spelling is niet altijd consequent. Zinnen beginnen niet met een hoofdletter en eindigen niet met een punt. Het lijkt daardoor of de “zinnen” heel lang zijn. Een afbreekstreepje bestond nog niet, terwijl er relatief veel woorden afgebroken werden omdat de schrijfruimte beperkt was tot de rechterhelft van de pagina. Er worden regelmatig afkortingen gebruikt voor veelgebruikte woorden als Opper Rapporteur, Gouverneur, Gouvernement etc. Vaak staat de laatste letter van het afgekorte woord in superschrift.

Er is voor gekozen de tekst zoveel mogelijk over te nemen zoals hij 174 jaar geleden is geschreven. Ook woorden die opgeschreven zijn en daarna werden doorgestreept, zijn opgenomen. Letters die ik niet kon ontcijferen zijn aangegeven met een “x”. Om de tekst wat makkelijker leesbaar te maken, heb ik hem verdeeld in korte zinnen. Woorden die tussen “/:” waren geplaatst, zijn tussen ronde haakjes gezet. Eigennamen van Japanners en Japanse plaatsnamen zijn weergegeven zoals ze zijn opgeschreven in het dagregister.

Leiden, 30 juli 2010

donderdag 5 augustus 2010

Zaturdag 5.

gaven het nieuws op en ik gaf het Gezag aan den Heer Meylan over voor zooveel het wezenlijke van den dienst betreft, doch volgens overeenkomst met denzelven bleef ik uiterlijk voor den Japanezen het Gezag met hem gelijktijdig behouden.

En hiermee wordt het dagregister afgesloten op heden den 5 augustus 1826

woensdag 4 augustus 2010

Vrijdag 4.

Voormiddags komt het tweede Schip ter reede, voor Anker. Het Opperhoofd, de Kapitein en den Ambt Pistorius komen aan Land gaven het nieuws

dinsdag 3 augustus 2010

Donderdag 3.

’S ochtends om half zes Ure wierden sein schoten gedaan van een Schip in het gezigt.
Om 9 Ure gingen de gecommiteerden Burger en Gozeman naar buiten.
De Panoslieden kwamen op Dezima en Omstreeks den middag Ankerde het Schip Alexander [met] Kapt M. Marcussen ter reede, hebbende aan boord de Ambtenaren voor dit kantoor P. Van Outeren, C. Depmar en A. Manuel.De Kapitein en de Ambtenaren komen aan Land en het nieuws wordt opgegeven.
Des Achterniddags kwam het tweede schip De Onderneming [met] kapt Mr H. Lellz bij de Papenberg voor Anker , aan boord hebbende het Opperhoofd G:F: Meylan en de Ambtenaar van deze Factorij V. Pistorius. De Pamoslieden komen aan Land.

maandag 2 augustus 2010

Woensdag 2.

De Onder Raporteur bragt mij heden het op gister vermeld Translaat waarop ik zegde hem te zullen antwoorden. Ik sprak bij die gelegenheid nogmaals over de reparatiën en zegde dat ik den eisch veel te buitensporig vond.

zondag 1 augustus 2010

Dingsdag 1.

De Hr Oppertolk Sinzeimon kwam bij mij bezoeken. Ik vroeg hem mij de kosten op te geven van de Toonborden [?] van de K. [keizer] en andere geschenken en hetgeen ik nog verder aan hem wegens de reis, zou moeten betalen enz. die hij zegde mij eerstdaags te zullen geven.
De Onder Tolk Gonoski kwam vervolgens. Ik zeg hem dat mij het briefje van Tomifatsiro van vooreergister zoo onverstaanbaar was, dat ik er niets op kon antwoorden noch wilde, dat hij daarin sprak van eenen muur, die niets gemeen heeft met de onderhavige reparatiën en dat ik geene zware en ligte maar slechts gewone Komps Teiler kende, die voor derzelver numerieke waarde op Komps rekening wierden verrekend. Hij zegde mij, mij een Translaat te zullen bezorgen wegens twee xxx voorwerp Glazen door den waarn Scriba te Jedo den Keizer aangeboden. Ik zegde hem daarvan verder niets te weten dan dat ik zulks te Jedo uit een Translaat had vernomen doch dat zoodra hij mij het Translaat, daar hij nu van sprak, zou bezorgen, ik daarop zou antwoorden.
Dr von Siebold en de Teekr de Villeneuve naar buiten gegaan wandelen.

zaterdag 31 juli 2010

Maandag 31.

Niets voorgevallen

vrijdag 30 juli 2010

Zondag 30.

De ambtr VOFisScher, Gozeman en Burger met barken naar buiten

donderdag 29 juli 2010

Zaturdag 29.

Ik ging verzeld van den Pakhmr omstreeks 9 Ure naar het Gouvt alwaar het gebruikelijke Compliment aan den Gouvr aflegde, hetwelk eveneens beantwoord wierd, wordende ook den Pakhmr door den Secretaris gelukgewenscht over de goede Orde op Dezima staande mijne afwezigheid gehouden
Namidd: ontving ik een briefje van den Opp Rappr omtrent de reparaties hetwelk mij echter uit hoofde van den verwarrende inhoud onbegrijpelijk was, daar hij een van de Tolken is, die het minste hollandsch verstaat en het slechtste schrijft

woensdag 28 juli 2010

Vrijdag 28.

Om half zes Ure namidd: kwam De Hofreis Ondertolk (Jasiro) mij bekend maken, dat de Audiëntie morgen ten Acht Ure des ochtends bepaald was.

dinsdag 27 juli 2010

Donderdag 27.

Voormidd: kwam de Ond Rappr en de Tolk Jenzi (voor de Opp Rappr) mij de andere berekeningen brengen van den repar: die juist op de helft was gesteld van de vorige (algemeene) dat is $ 125,475 dan daar dat geld genoemd wierd Comps Zware $ en ik naar de betekenis daarvan vroeg, bleek het uit den opheldering die de eerstgend mij gaf, dat zulks slechts eene fictive berekening was en dat ik de volgende som zou moeten betalen, te weten $ 250,95 komp.
Ik was daarover niet weinig bevreemd en toonde den Ond: rappr aan, dat op de berekening van gister waarop $ 66,1 op de helft waren gesteld met (dus) Comps $ 33, 05 zonder verdere omschrijving en daarbij zegde ik hem dat op de voorige berekening die volgens bijzijnde briefjes van den Opp Rappr in Kompsgeld was berekend voor $ 250,95 zonder eenige meerdere omschrijving, dat ik ook slechts eene soort van Komps Teilen kende en geene Zware en ligte zooals hij beweerde dat bestonden en ik verklaarde hem in die berekening niet te kunnen noch willen treden. Hij scheen daarover verlegen en vertrok zeggende den Opp Rappr er over te zullen spreken

maandag 26 juli 2010

Woensdag 26.

Heden xxx voormidd: bragt mij de Wachtgehad hebbende Tolk Jezi een briefje van zijnen Schoonvader den Opp Rappr in antwd op mijnen brief aan hem met eene afzonderlijke begrooting van reparatiekosten van het Dak van de Doren ten bedrage gelijk bij de laatste begrooting van $ 66:1 dus Komps $ 33-0-5. Daar diezelfde post op de vorige begrooting alleenlijk met $ 66,1 was uitgetrokken zonder verdere specificaties of aanduiding van de soort van geld nam ik daaruit aanleiding om aan Jensi op te dragen aan zijn’ Vader eene begrooting te vragen ook van de overige reparatiën met dezelfde berekening van het geld in (half of) Komps geld, hem zeggende dat ik liever alle de reparatiën tegelijk wilde bezorgen.
Namiddags kwam de Onder Rappr mij bekendmaken, dat de Gouvr mij den 29e dezer zou afwachten en vroeg mij tevens of ik alsdan geen belet zou hebben. Ik zegde dat ik de eer zou hebben te gaan.
De Ambtr V.O.Fisscher, Burger en Gozeman zijn dezen namiddag naar den Stad geweest

zondag 25 juli 2010

Dingsdag 25.

Gelijk ook heden niet.

zaterdag 24 juli 2010

Maandag 24.

Niets voorgevallen, alnog geen der Rapporteurs vernomen.

vrijdag 23 juli 2010

Zondag 23.

ik hem in Substantie antwoordde dat daar deze beide opgaven slechts $ 22=4,2 minder dan de vorige waren, die afslag te gering was om daarop te letten en de posten daarop gebracht alnog te buitensporig hoog waren om die te kunnen debatteren. Dat ik slechts omtrent zijne assertie wegens den tijd van het zetten een van den tuinmuur aanmerkte, dat die muur op zijn hoogst twee jaren en vier maanden had gestaan terwijl de bepleistering reeds sedert lange was afgevallen en dat indien die muur die $ 48 gekost heeft, en voor welker reparatie thans
$ 32 (dus 2/3) gevraagd wordt, goed ware gemaakt geweest, die thans niet zou het geene reparatie zou behoeven, dat hij mij voorstelde om te proberen, om door den Kompradoor of eenen andere Timmerman, naar verkiezing, de reparaties te doen verrigten, doch dat hij wel wist dat ik geene verkiezing [=keus] had en dat daarom zodanige proef weinig zou nutten daar mij alsdan misschien nog meer zou moeten gevraagd worden, doch dat ik in de tegenwoordige berekening niet kunnende treden zoo hij mij geen billijke komen bezorgen, ik vooreerst de reparaties hoe nodig anders wel moest laten blijven, of anderszins daarin trachten te voorzien doordat daar ik, zoo lange het dak van de Doren niet gerepareerd was, bij eventuele komst der Schepen niet vermogt de manufacturen daarin te bergen en hem daarom verzocht mij eene billijke reparatie berekening van de reparaties te doen toekomen. --Ik stuurde hem daarbij de berekening van gister terug.
Genzabro de zoon van den op reis naar Jedo door zelfmoord overleden Tolk Dinzeimon geeft mij kennis van zijne benoeming als temporele Vice ondertolk en dat hij bestemd was om in Stede van wijlen zijne Vader naar Jedo te gaan om daar te verblijven.

donderdag 22 juli 2010

Zaturdag 22.

De Klerk Gozeman naar buiten met den Vice Onder Tolk Tokizero Visschen. Alnog geen Rapporteur noch de opgave.
Om bijna acht Ure dezen avond bragt mij de Vice ond. tolk GienSaimon een briefje van den Opp Rappr\met eene zoogend nadere berekening van den Timmerman en eene van den Metselaar van den vorengend reparaties ten gezamenlijke bedragen van $ 3250-9-5 en alzoo slechts $ 22=4,2 minder dan de vorige, waarbij hij de onbeschaamdheid had te zeggen, dat de kwestieuze Tuinmuur over 4 jaren, toen ik hier kwam gezet was, waarop

woensdag 21 juli 2010

Vrijdag 21.

De Schalen nazien, de balansen onderzocht eenige reparaties daar aan gemaakt zijnde door
de Pakhmr en klerk Gozeman waarbij ik op verzoek van eerstgemelde tegenwoordig was.---
Den Smit werden nog eenige reparaties of verbeteringen aan de balansen besteld en de tappen [?] te polijsten waarvan ik de bezorging aan den Pakhmr opdroeg.

dinsdag 20 juli 2010

Donderdag 20.

Ook heden geen der Rappr bij mij gekomen, noch de opgaaf ontvangen.

maandag 19 juli 2010

Woensdag 19.

Geen der Rapporteurs bij mij geweest. Ook de nadere opgave der reparatiekosten niet gekregen

zondag 18 juli 2010

Dingsdag 18.

het bleek dat het Sein zonder grond was geschied.
Voormidd: kwam eindelijk de Opper Rapporteur bij mij. - ik sprak met hem over den schandelijke berekening van zijne Timmerman voor de reparatiën en zegde hem daarom trent onbewimpeld mijnen gevoelen. Er was voor eenen onbeduidende reparatie van het dak en de beschieting van de Doren [pakhuis Doorn] $ 116,15 berekend welke met $ 25 zeer duur zou betaald worden, en voor de reparatiën aan het huis en den tuinen $ 157 waaronder het opnieuw
Bepleisteren van eenen tuinmuur die nog geen twee jaar gestaan heeft en waaraan alle de pleister is afgevallen, was voor meer dan $110 berekend is en die de Timmerman dus onontgeldelijk behoorde te repareren. De Opp Rapporteur vroeg mij hoeveel ik geven wilde. Ik zegde hem daarop geen bod te willen doen,’t en zij mij eene billijke berekening daarvan wierd voorgesteld, en dat ik hem verklaarde dat ik anders de Dorens [?] in den staat zou laten waar in dat pakhuis thans is, doch bij de aankomst der schepen de manufacturen er niet in zou plaatsen en gerust afwachten wat er van de zou worden.
Dat scheen op hem te werken, hij vroeg mij om de begrooting, liet den Timmerman roepen en hield zich alsof hij dezen sprak over zijn buitensporige berekening en zegde mij dat de
muur NB reeds 4 jn gestaan had. Ik zegde hem zeer bedaard dat hij wel wist, dat hij nog geene twee jaren had gestaan, en dat die zelfde (zijn eigene) Timmerman die had gezet.
Hij wilde toen de schuld op den metselaar werpen, doch ik zegde hem dat de metselaar immers slechts een koelie van den Timmerman was, en ik herhaalde nogmaals mijne zoo even gedane verklaring waarop hij de begrooting nam, zeggende, dat hij die nogmaals zou doen nazien en daarmede heenging.
Ik heb door hem den tegenwoordig zijnde Ottona verzocht om bespoediging der herbebouwing van de bottelierswoning hetwelk mij deze beloofde.
Sprak almede nogmaals over het uitdiepen van de Waterpoort

zaterdag 17 juli 2010

Maandag 17.

Welke kennisgave ik alsmede Schriftelijk aan den Gouvr overgebragt. Ik verneem van den wachth Tolk aan wien ik dien brief overgaf dat de Ond Rapporteur niet ziek althans van belang was -- en dat de Zieke Reparatiemr heden ochtend overleden was. – Ik zie wel dat de Tolken, mij trachten in verlegenheid te brengen daar de Schepen spoedig te wachten zijn. om mij te noodzaken de reparatie volgens de begrooting te doen geschieden zoo die voor aankomst der Schepen zullen klaar wezen.
Omstreeks half vijf namidd: kwam eenen bark van Fiseng binnen zeilen, sein doende van de aankomst van een Holl. Schip, doch

vrijdag 16 juli 2010

Zondag 16.

Tot heden de begrooting der Kampsreparaties niet hebbende ontvangen en geen der Rapporteurs sedert den 12 vernomen hebbende, Schreef ik heden den Opp Rappr om mij nog heden die begrooting te bezorgen en tevens dat ik wenschte dat dagelijks een der Rappr Tolken bij mij kwamen dat ik meende dat zulks dienst was
Ik ontbood den Kaiseris en liet hem door den wachth Tolk xxxxx xxxxxx xxx xxxxxx in bijzijn van den Pakhmr vragen, wanneer hij dacht dat de Botteliers woning welke herbouwd wordt zou gereed wezen: Hij bepaalde zulks op eene maand.
Ik zegde hem dat die woning voor de aankomst der Scheepen behoordde klaar te wezen, dat ik mij anders daarover zou moeten bezwaren. Ik verzocht hem dat de Trap die te voren op zij van het huis was, in de midden mogt geplaatst worden. Hij antwoordde daartoe order aan de Timmerman te sullen geven
Terwijl de Kaiseris bij mij was, kwam de Schoonzoon van de Opper Rappr (Jensi) mij namens den Ond Rappr de begrooting der Kamps reparaties brengen, welke zeer gespecificeerd was, doch de enorme som bedroeg van $ 273=37. 
Ik zegde aan Jensi dat hij geen rapporteur was, dat een den Tolken Rapporteurs mij die begrooting had behooren te brengen, en dat hij aan zijn moest Vader zeggen, dat ik wenschte dat een der Rappr dagelijks bij mij kwam en heden, met den timmerman had moeten komen, om over dien begrooting te spreken. Om echter de zaak te doen voortgaan, liet ik den Timmerman roepen, en bood hem de helft van zijnen eisch, hetgeen hij zegde niet te kunnen doen. Ik zegde aan Jenzi, dat hij er zijnen Vader van zou spreken daar ik den zoogend Timmerman slechts als den Koelie van den Opp Rappr en dezen als den aannemer beschouwde, dat ik de kosten der begrooting niet konde beoordeelen dat ik echter wel in zag dat alles vooral de Arbeidslonen buitensporig hoog berekend waren, dat ik het bod van de helft als nog veel te veel beschouwde, dat ik heden antwoord verlangde en anders op eene
andere wijze in die de reparaties zou trachten te voorzien.
Ik ging daar na met den Pakhuismr de beide zoogend kapiteins woningen bezigtigen en vond die in eenen slechten vervallen toestand. Ik droeg den Pakhuismr op om met den meeste
spoed den hoogstnodige voorzieningen tot eene behoorlijke bewoning derzelven te doen en met de minste kosten.
Namidd: gaat den Dr den Zieken Rekenmeester andermaal bezoeken.
De Ambtenaar de Villeneuve geeft mij schriftelijk kennis dat zijn huishoudster zwanger is, dat hij het Kind voor het zijne erkennen zal en als zoodanig daarvoor zorgen zal..—

donderdag 15 juli 2010

Zaturdag 15.

Kwam de wachth Tolk mij zeggen dat de Dr om 4 U 's namidd bij den patiënten van gister moest terugkomen, waartoe ik hem opdroeg zulks den Dr te melden.
Alsnog de begrooting niet bekomen ook heden geen der Rapporteurs bij mij.
Na den eten ging de Dr naar de Stad. -- de Klerk Gozeman verzocht mij mede te mogen gaan, hetgeen ik Toestond.

woensdag 14 juli 2010

Vrijdag 14.

ik bij billet een van hun ontbood. De Ond Rappr Schreef mij dat hij ziek was, doch beter zijnde morgen vroeg zou komen en dat den Timmerman beloofd had heden avond de begrooting der reparatie kosten te bezorgen.
's Namiddags kwam de zoon van den Opp Rappr namens zijnen vader uit naam van den Gouvr verzoeken dat Dr v. Siebold bij eene Zieken reparatie meester moest komen.
Die dan ook kort daarna ging.

dinsdag 13 juli 2010

Donderdag 13.

Niettegenstaande ik bepaald had, dat een der Rapporteurs dagelijks bij mij moest komen, heb ik heden geen van beiden vernomen waarom

maandag 12 juli 2010

Woensdag 12.

Wordt diezelfde Jonk op de reede geboegseerd, drijvend gehouden door ledige Zakken balies en bamboeien De Opp Hofreis bark lost onze goederen. De tot dat einde op Dezima gekomen Hofreis, en een tweede Opper en de drie Hr Onderbanjoosten, de Tolken enz. worden bij mij op Jap: eten en Zakki onthaald, waarbij de Pakh mr, de Dr en den waarn Scriba tegenwoordig zijn.
Bij dien gelegenheid herinner ik den tegenwoordig zijnde Ottona, dat voor de Waterpoort moet gebaggerd worden en zet den Ond Rappr aan om mij Spoedig de begrooting voor den Timmerman van de gister opgenomen Kamps reparaties te bezorgen.
Kreeg heden de notitie *van den klerk Gozeman* daarover.

zondag 11 juli 2010

Dingsdag 11.

Ik spreek met den Hr Opp Tolk Sinzeimon over het lossen der HrBark. Hij zegt mij dat eerst de Stadsgoederen moeten gelost worden maar dat hij zal vragen om de levende dieren hierbij te ontschepen die ook grotendeels aan land worden gebragt.
Met den Pakhmr: V O F[= Van Overmeer Fisscher], den Klerk Gozeman, den Ond Rappr en den Timmerman van Den Opp Rappr de reparaties aan den kampsgebouwen opgenomen.
Den Goederen der Chin Jonk die wij bij Kambarra hebben zien liggen en die op haar reis herwaarts bij Firando verongelukt is gestoken [?] heeft, worden in drie Japanse barken aangebragt.

zaterdag 10 juli 2010

Maandag 10.

De Hofr. Bark komt ’s midd aan. [Ik] ontbood den Ond Rappr om over de lossing te Spreken.—ontbood tevens den timmerman tot de opnamen der repar: aan de Kampsgebouwen de De nieuw aangestelde xxxxxxxx Tolk xxxx particuliere Tolk Kawa barra Hese joro geeft mij kennis van zijn benoeming
Den Ond Rappr komt namiddags doch door een misverstand van eenen mijner Jav. Jongens vertrekt hij weder en laat een briefje achter dat hij morgen vroeg zou komen. Ik schrijf hem een briefje daarover

vrijdag 9 juli 2010

Zondag 9.

Rusten heden uit.

donderdag 8 juli 2010

Zaturdag 8.

Ontving van den Pakhuismr de verzegelde Sleutels terug van de Kamferhouten Kist benevens die van het brandvrije Pakhuis.--die mij ook overhandigde zijne gehouden en hieronder volgende

Aantekeningen gehouden Te Japan, gedurende de afwezigheid van den W Ed Gestr Hr J.W. de Sturler, Opph van den Nederl: handel alhier, in gezantschap naar den Hoofdstad van dit Rijk, door mij ondertekende J. F. van O: Fischer Pakhmr dezer factorij
Insuratur

Voorts overhandigde ik aan den Onder Rapporteur ter behandiging aan denGouvr eenen brief waarbij ik dezelven bedankte voor de toestemming tot den Hofreis en tegelijk Audiëntie verzocht om hem mijn Compliment te maken

woensdag 7 juli 2010

Vrijdag 7.

Overhandigde ’S ochtends vroeg [bij] ons vertrek 689 ¾ Kobangs in Specie aan de Kompradoor nadat dat Geld door de Banjoosten`was verzegeld geworden. –
Gingen vervolgens van daar, de Pakhm: en de twee andere Ambtenaren kwamen ons te gemoed en wij kwamen omstreeks 10 U: voorm: te huis aan.
De Opp banjoost kwam en ik bedankte hem volgens gebruik. –

dinsdag 6 juli 2010

Donderdag 6.

te Jagami.

maandag 5 juli 2010

Woensdag 5.

te Omura - waar [we] de stad doorwandelden.

zondag 4 juli 2010

Dingsdag 4.

te Orezano.

zaterdag 3 juli 2010

Maandag 3.

te Oziets.

vrijdag 2 juli 2010

Zondag 2.

te Taziro

donderdag 1 juli 2010

Zaturdag 1.

Vervolgden onze reis en kwamen heden te Itsoeka.

woensdag 30 juni 2010

Vrijdag 30.

Volgens een bij de opreis door den Dr von Siebold gedaan voorstel om de door denzelve opgenomen en gemeten Straat (of het naauw) tusschen de eilanden Sikokf en Kiushu ter ere van Z: Exellentie Gr Gl vd C: hoogstderzelfs naam te geven, hebben wij een door den destinateur De Villeneuve daartoe vervaardigt en van eenen vergulde lijst met glas voorzien tafereel in den tempel Amidazi doen geplaatsen.xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx bevattende een fraaie getekende Cartouche met den woorden hier de straat VD C en het door gen. Dr. gemaakt Latijnsch veers.
Transites ILLIUS nomen mandatas videndi
Hoc regninum nobis qui dedat cumas ferat
/Gedagtd/ Amidati den 24 febr 1826

Het gezantschap naar het K: Hof
Was getd De Sturler Dr von Siebold H. Burger
Opp & Gezant

Namiddags met barken te Kokura alwaar dezen nacht verbleven. Deden heden eene wandeling door de stad.

dinsdag 29 juni 2010

Donderdag 29.

wanneer wij ’S morgens 2 U: te Simonoseki ankerden en 'S ochtends vroeg aan land stapten.

maandag 28 juni 2010

Woensdag 28.

De boegseervaartuigen verlieten ons in de namiddag, en zeilden met flaauwe koelte tot

zondag 27 juni 2010

Dingsdag 27.

Gingen de twee andere Heeren voor en namidd aan Land. Omstreeks 5 U: namiddag ligten wij anker en wierden den gehelen nacht geboegseerd. Zonder nochtans veel te vorderen.

zaterdag 26 juni 2010

Maandag 26.

Het slechte weder aanhoudende, bleven wij alhier tot omstreeks 2 U. namiddags wanneer wij anker ligten en tegen den avond in de haven van Kaminoseki ankerden.

vrijdag 25 juni 2010

Zondag 25.

Des ochtends zeer vroeg met goede wind doch stroom tegen wederom verder geboegseerd tot voor Mitereie alwaar ankerden, en kort daarna wederom onze reis voort te zetten tot Kamoera, waar wij om regen en mist moesten ankeren; en 'S nachts een hevige wind hadden. – Gelukkig beschutte het land eenigzins. 'S nachts liet ik den schipper zeggen om nog meerder ankers uit te werpen hetwelk geschiedde.

donderdag 24 juni 2010

Zaturdag 24.

Omstreeks 3 U: na middernacht wierden wij vandaar geboegseerd. – Doch ankerden des ochtends om 10 U: uit hoofden van den Sterke regens. Vertrokken weder met boegseer vaartuigen doch moesten tegen den avond weder voor anker gaan in de nabijheid van Mitereie.

woensdag 23 juni 2010

Vrijdag 23.

wierden wij te Tomo binnen geboegseerd. Al waar wij in den binnenhaven voo 7 ½ uur ’S ocht. ankerden en alle drie aan Land stapten en den dag doorbrachten.

dinsdag 22 juni 2010

Donderdag 22.

Kwamen heden tot voor de haven van Tomo waar ankerden em den

maandag 21 juni 2010

Woensdag 21.

Ligten 'S ochtends het anker, doch moesten namiddags het wederom laten vallen om stilte en water in te nemen. –en gingen dr v S en B: aan land. – gingen wederom onder zeil nog moesten om stilte en tegenstroom weldra weder Ankeren.

zondag 20 juni 2010

Dingsdag 20.

kregen wij Sterke en tegenwind, wierpen wij het anker bij Simodozima

zaterdag 19 juni 2010

Maandag 19.

Na den middag Scheepten wij ons in de Hofreis Bark. Vorderen heden redelijk. doch

vrijdag 18 juni 2010

Zondag 18.

Heden ging ik met de gend Heeren door de stad wandelen, en wij vertoefden eenige tijd in een Theehuis.

donderdag 17 juni 2010

Zaturdag 17.

De beide andere Heeren deden eene wandeling in de stad. Ik bleef te huis omdat mijn been mij het gaan nog altijd moeijelijk en pijnlijk maakte, doch

dinsdag 15 juni 2010

Donderdag 15.

Om 6 U. des ochtends vertrokken wij en kwamen op den middag te Fiogo, alwaar xxxxxxxxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx vertoefden om met de Bark onze reis voort te zetten.

maandag 14 juni 2010

Woensdag 14.

Vertrokken na gehouden middagmaal om h. 2 Ure. Het Opperh in eene en de beide andere Heeren in eene tweede bark, terwijl ik mijn ongenoegen aan de Opper Tolk had te kennen gegeven, dat hij slechts eene bark voor ons drieën had bestemd wij kwamen tot Amagazakki en van hier tot Nimomasse te land, waar wij ten 7 U: aankwamen.

zondag 13 juni 2010

Dingsdag 13.

Rusten heden uit. De Opper Banjoost kwam ook heden en stelde mij voor om dadelijk van hier met de barken naar Amagasakki te vertrekken, waar in ik toestemde. Ik ontving heden $ 1000 van de Geldkr Waarvoor [ik een] kwitantie afgaf.

zaterdag 12 juni 2010

Maandag 12.

Wij vertrokken om Zeven Uren naaar de Komedie die omstreeks 8 Ure begon. De zaal was ruim en nagenoeg in den Europeschen bouwtrant ingerigt, doch alles tot den Gordijnen toe zag er uiterst morsig en haveloos uit. Doch de toneelspelers waren in het algemeen redelijk en sommigen zelfs zeer goed. De kleeding der meesten was prachtig en rijk. De Decoratien waren eenigzins anders dan de onze ingerigt doch vrij fraai. Het eerste stuk had veel goeds en zou waarschijnlijk in Europa niet afgekeurd worden. De volgende Stukken (men moest er Vier Spelen) bevielen ons minder en wij keerden omstreeks Vier Ure naar huis. – De Opp banjoost nam afspraak met mij over de reis.

vrijdag 11 juni 2010

Zondag 11.

Om half een vertrokken. Hadden audiëntie bij de beide Gouverneurs. Wierden aldaar op de gebruikelijke wijze ontvangen en onthaald op Thee, Japanisch eten, zakki en banket. – Bij den tweede Gouverneur waar men anders ziet te Paard rijden, wierd zulks ditmaal niet gedaan onder voorgeven dat de bereider ziek was.
Wij gingen vervolgens de KoperSmelterij Maandag bezigtigen waarvan de inrigting aller slechts is. – Na die bezigtiging wierden wij ons den Koper Smelter zeer goed op Japanische verversingen, vruchten en zakki onthaald. De tafel was met eenig zeer fraai Europeesch Zilver en glaswerk gedekt en men had de attentie gehad ons stoelen te geven, zoodat wij hier beter dan ergens anders in dit land ontvangen zijn geworden. – Tegen het vallen van den avond, gingen wij bij den Vogel verkoper, waar echter niet meer dan vijf vogels en drie honden te zien waren. Zodat wij spoedig naar ons Logement terugkeerden.

donderdag 10 juni 2010

Zaturdag 10.

Gingen om half tien Ure in Norimons naar buiten, eerst naar het Theehuis Naniwaya bezagen aldaar den sparreboom die zeer groot en aardig, als een rond dak geleid is, vervolgens bezagen wij deTempels Soemius en Faninoze , waar een Toren is die vrij fraai en stout gebouwd is. – Vandaar gingen wij naar het Theehuis Woekamoesei en bezagen in het naar huis keeren den plantentuin en kwamen om acht Uren in het logement terug.

woensdag 9 juni 2010

Vrijdag 9.

Voormiddags bezochten mij de hier zijnde Reken en reparatie meester en bepaalde ik met de Opper Tolk de uitgang dagen, des Audiënties op den 12 en het vertrek den 14 dezer. –De Opper banjoost kwam mij verzoeken morgen vroegtijdig van huis te gaan. Later kwam de Onder Tolk mij zeggen dat den 7e de audiëntie verhinderd zijnde de 6e die plechtigheid zou kunnen plaatshebben en daartegen het gaan naar de Komedie als dan op den 7e. Al weder streken van de Tolken, misschien om het vertrek te vervroegen. – doch gewis hebben zij er iets mede voor. –
Namiddags kwam binnenkants een Gouvrs Secretaris mij bezoeken

dinsdag 8 juni 2010

Donderdag 8.

kwamen wij om half zeven Ure des ochtends te Ozzaka aan waar tegen de avond ons eenige kennissen bezochten.

maandag 7 juni 2010

Woensdag 7.

Vetrokken om een uur en kwamen om zeven ik kon om den verre afstand die te voet moest afgelegd worden, niet den Keizerlijke Tempel bezigtigen. – Ik bezag alleen eene zeer groote klok die in de voorhof staat en ging volgens Kapittel naar een zogenaamd Theehuis, om het overige gezelschap af te wachten. Daar ik zag tot mijne bevreemding dat het slechts uit eene loots bestond, aan alle kanten open, en daar ik het beneden mijn waardigheid achtte mij daar aan eene opzettelijke daartoe bij een gevleide menigte ten toon te stellen, bleef ik een mijnen Norimoro zitten, en gaf mijn ontevredenheid daarover den Tolken te kennen. – Ik bezag vervolgens de Tempel (Daiboeto) of zogenaamde Tempel der 3330 beelden, dien ik met moeite half afging en vertrok naar Foesimi waar wij bezoek kregen van eenige Miakosche Doktoren, die ons tot daar hadden uit verzeld. – Om half tien ‘S avonds gingen wij naar boord, ik van eene zeer vrij fraaie en wel ingerigte bark en de twee overigen Heeren in eene andere, ieder met onze Dienaren, terwijl de Opp. en Onder banjoosten en Opp: en mindere Tolken in andere bark gingen. Wij zakten de rivier af en

zondag 6 juni 2010

Dinsdag 6.

Alzoo het heden compliment dag was, gingen wij eerst voor een Uur eerst naar den Opp. Regter en vervolgens bij de twee Gouverneurs. – Hoewel mijn voet zeer pijnlijk was, viel het mij minder moeilijk dan ik ververwachtte. – Bij den Opp Regter wierden mij na de Audiëntie eenige horlogien en derzelven kettingen vertoond met verzoek op te geven waar die gemaakt waren, en aan den Doctor eenige vragen gedaan wegens Vogelen waarvan hem twee vertoond werden. – Bij een’ der Gouverneurs werd den Dr gevraagd of een zieke Dienaar hem mogt komen raadplegen. Hij bood aan die in het gouvt te zien bezoeken, waar eerst gezegd was dat hij woonde. Doch na eenige tijd wierd gezegd dat hij te veraf woonde, en wij vertrokken zonder verder iets daarvan de vernemen. – Na de middag kwam de Opp Banjoost om tegenwoordig te wezen, bij het ontvangen der zogend Gezanten. Deze kwam vervolgens, doch de beide van de gouvrs zo laat, dat ik aan de Tolken zegde te zullen opstaan indien zij niet spoedig kwamen. – Zij bragten zoo als gewoonlijk vijf Kabaaijen en tien Schuitjes Zilver tot tegengeschenk.