zondag 6 februari 2011

1822, de 6e februari.
Heden, de 15e van de Japanse eerste maand (Sioguats), de vastgestelde dag voor ons vertrek, kwamen reeds vroeg de Japanse bedienden op het eiland, om de geschenken en de bagage af te halen, en wij vertrokken te 8.30 uur van het eiland. De achterblijvende Nederlanders deden ons uitgeleide tot aan de Mosseltrap. Het gezag op het eiland werd toevertrouwd aan de oudste aanwezige ambtenaar, en wij gingen in de norimond onder de toeloop van een menigte volk en vrienden, die ons reeds hier opwachtten om ons uit te geleiden. Volgens gebruik vertoefden wij buiten de stad in de tempel Tenzin, waar de Opperbanjoost ons ontving, en wij gezamenlijk met een aantal Japanse vrienden moesten drinken op ons afscheid. Tegen 12:00 uur van hier vertrekkende, vonden wij op de grens van de stad en op verschillende andere plaatsen, tolken, leveranciers en een menigte Japanners, die ons een laatste groet brachten, waarna wij aankwamen in Jagami, waar wij het middagmaal gebruikten, en eindelijk ‘s avonds om 10:00 uur in Isahai [Isahaya] , waar wij in de tempel logeren, en veel hinder hadden van de kou en de slecht rokende kolen.

zaterdag 5 februari 2011











Reis naar Jedo


De Hollanders, die in Japan hun verblijf houden, worden daar niet zo zeer beschouwd als kooplieden, maar eerder als beambten, of, zoals de Japanners het noemen, Jakfnins [jakunin], om de vriendschappelijke betrekkingen tussen de beiden naties te onderhouden. Het is in die hoedanigheid, dat zij toegang hebben tot het Hof, waarheen zij dan ook vroeger jaarlijks een reis maakten. Sedert 1790 echter heeft dit slechts om de vier jaar plaats, terwijl in de tussenliggende jaren de vooraf bepaalde geschenken door een commissie van tolken en andere bedienden naar het hof worden gebracht, waar de in Jedo verblijvende Gouverneur van Nagasakki, in hun naam, de plichtplegingen aflegt onder het aanbieden van die geschenken.

Wanneer de tijd voor deze reis nadert, heeft men het heel druk met de voorbereidingen, en zijn de Japanners nog meer bezorgd dan de Hollanders zelf, om met hun hele gevolg in de uiterste orde een netheid te verschijnen. Voor de laatsten, die zelden in de gelegenheid zijn deze belangrijke reis een tweede keer te maken, zijn het inwinnen van informatie over de belangrijkste dingen die hen kan overkomen en over de gebruiken, welke zij in acht moeten nemen, alsmede het kennismaken met de reisgenoten en het aanschaffen van de reisbenodigdheden, de voornaamste bezigheden. Als overblijfsel van in oude tijden bestaan hebbende Indische gebruiken, is het gebruikelijk om zich voor deze reis meer dan gewoonlijk uit de dossen. Men neemt ook speciaal kleinigheden mee, zoals kralen, glazen, pennetjes, ringetjes, spelden, knoopjes en andere Neurenberger bijouteriën, om tijdens de reis uit de delen aan de gewone mensen, die er een bijzondere waarde aan hechten om het een of ander uit de handen van een Hollander of een andere vreemdeling te ontvangen. Daarom doen zij veel moeite om de Hollanders te zien, en nog meer, om een aandenken van hen te krijgen.

Toen ik het genoegen had mee te gaan op de reis naar het hof, was de Heer J. COCK BLOMHOF, Ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw, en opperhoofd van onze handel op Decima [Deshima], de Nederlandse gezant, die de reis voor de tweede keer maakte, en die ik als scriba of secretaris met de geneesheer N. TULLINGH vergezelde.

De Japanse beambten bestonden uit een Opperbanjoost, die het hoofd van de trein is, en omdat hij met een Keizerlijke gezant reist, wordt hij overal geëerbiedigd en ten trouwste gediend. Zijn ondergeschikten zijn drie Onderbanjoosten, en wij hadden verder tot onze hulp en gezelschap de Oppertolk ZOEJENAGA ZINSAYMON, de Ondertolk NAKAJAMA SAKFSABRO en de Vice-Ondertolk SIGE TOKIZERO.



















Om een indruk te geven van de grote omvang van deze reis, zal ik in het kort een schets laten volgen van de gehele trein [stoet]van de geschenken en bagage, naar de volgorde, zoals die langs de wegen worden gevoerd.

De zogenaamde Hofreisbark, waarvan wij voor onszelf gebruikmaken van Simonosekij [Shimonoseki] naar Osaka, vertrekt enige dagen vroeger uit Nagasakki [Nagasaki], alleen geladen met de etenswaren, verpakt in een dertigtal kisten, en van de overige bedienden de bagage, die men in het begin niet nodig heeft. Al het overige gaat over land, beginnende met 10 tot 12 lange koffers, volgepakt met lakens, chitsen [textiel], polemieten [bonte geweven stoffen], lakenrassen [zeer fijne, geschoren wol], kroonrassen [eerste kwaliteit zeer fijne, geschoren wol], perpetuanen [zeer duurzame, driedradige wollen stof], Taffachelassen [fijne, gestreepte zijden of katoenen weefsels uit Coromandel], Armozijnen [dunne zijde- of katoenachtige stof, veelal als voering gebruikt], Goudstoffen en datgene wat verder als geschenk bestemd is, alles nauwkeurig afgemeten en zeer zorgvuldig in geolied papier verpakt, vervolgens met een fijne mat, en daarna met een stromat, die alle op een bepaalde maat en vorm zijn vervaardigt, omwikkeld, terwijl men tenslotte de kast of de koffer met een zwart touw dichtbindt, verzegelt, en op een slee of draagbaar vastsjort. De laatste wordt ook aan een lange stok vastgemaakt, waaraan die last door twee of drie man wordt gedragen.
















Wij hadden ook ditmaal twee extra koffers met pendules, bestemd als buitengewone geschenken, die met de andere geschenken werden vervoerd, en samen een afzonderlijke trein vormden, die steeds enkele uren vooruit reist, onder toezicht van een treinmeester, twee schrijvers of klerken van de tolken, een koeliemeester, en nog een paar gouvernementsbedienden, die, met uitzondering van de koeliemeester, gedurende deze reis altijd twee stabels dragen; sommigen hebben een norimond [= norimoro] of palankijn [gesloten, overdekte draagstoel] en de anderen huren beurtelings een cango of draagstoel, om uit te rusten, en elkaar te vervangen bij de bewaking van die goederen.

Daarna volgden onze grotere bagagekoffers, die ook ingepakt zijn, en alleen worden geopend in grote steden. Het Opperhoofd heeft twee zeer grote kasten of koffers, en vier knasters [een uit riet (canna) gevlochtene kist of korf] en de scriba en doctor hetzelfde met hun beiden. Opperbanjoost, tolken, Onderbanjoosten, van allen is de hoeveelheid bagage vast bepaald, doch over het algemeen is het een vracht, waartoe tenminste 100 mensen en 20 paarden nodig zijn, terwijl ook onder onze bagage het beddegoed van al de bedienden is begrepen, dat op paarden wordt vervoerd. Eenmaal met de bark in Osaka aangekomen, moeten alle goederen, die tot dan vanaf Nagasakki in de bark geladen waren, ook over de grote landweg worden gedragen, hetgeen de hiervoor genoemde trein nog doet toenemen met een veertigtal goed voorziene kisten en koffers.



















De etenswaren, die door Opperhoofd worden meegenomen, bestaan uit wijn en en andere dranken, boter, kaas, gerookt en gezouten vlees, koffie, suiker, specerijen, banket, confituren en wat meer van dien aard en in Japan niet te krijgen is; maar wild, gevogelte (vooral goede hoenders), groenten, vis, enzovoort, vindt men overal voldoende, en weten de koks zich zeer goed aan te schaffen om ons dagelijks een goede tafel te bereiden. De twee Japanse koks, die ook op het eiland speciaal in dienst van het Opperhoofd zijn en ons nu vergezellen, hebben altijd twee stel tafelgereedschap voor drie of vijf personen bij zich, dat in een daartoe ingericht buffet wordt opgeborgen, met een kleine voorraad van wat zij voor enkele dagen denken nodig te hebben. De ene verzorgt het eten in de middagherberg, en de andere zorgt voor het avondeten. Zij reizen 's nachts of vroeg genoeg vooruit, om alles in te richten, en vinden in de afgesproken logementen, keuken- en verdere benodigdheden ter beschikking, zodat wij het genoegen hebben, 's middags en ‘s avonds altijd de tafel gedekt de vinden. Bij ieder buffet worden zelfs drie stoelen en een tafel meegedragen, en men is in het begin zeer verrast, wanneer men zich zo geheel afgescheiden van al wat Europees is, eensklaps in een vertrek bevindt waar de tafel, met welbereide spijzen voorzien, het idee van zich in zulk een vreemd land te bevinden, geheel wegneemt. Ons beddegoed wordt ook in grote kisten meegevoerd, maar behalve het tot dusver vermelde, is er niets in ons persoonlijk gevolg dat afzonderlijk een meer volledige beschrijving verdient.

Vooraan in de trein loopt een treinmeester, met een koeliemeester, waarna de twee jongste Opperbanjoosten in norimonds volgen, elk met zijn bediende bij zich, en vergezeld van twee hassambakodragers.

Ook is er doorgaans een schrijver van de tolken die deze trein in zijn Cango of draagstoel voorafgaat, daarna de Vice-Ondertolk en Ondertolk, ieder met zijn bediende, en twee hassambakodragers.

De Hollandse geneesheer in zijn norimond, een van de vaste Japanse bedienden van het Opperhoofd op Decima, en een bediende die het Japanse gouvernement hem gedurende de reis toevoegt. De laatste is tevens een soort van dwarskijker [spion].
De medicijn kist, die door twee man gedragen wordt en met kleden overdekt is.
De Scriba in zijn norimond met twee bedienden. De norimond wordt evenals die van de doctor door drie of vier man gedragen.
Een norimonds-oppasser.
Twee koeliemeesters.
Het Hollandse Opperhoofd in zijn norimond met acht dragers, die kabaaijen [kledingstuk zoals dat gewoonlijk in Oost-Azie wordt gedragen als een lang, los vallend hemd] dragen die versierd zijn met de letters van de Oost-Indische Compagnie, en die elkaar van tijd tot tijd aflossen. Tevens aan weerszijden twee bedienden, die elkaar, net als die van de twee andere Hollanders, 's morgens en 's middags vervangen.
Een bediende die de schoenen en muilen in een leren doos bewaart.
Een Tjabinto [chabento] of twee kasjes (die aan een stok gedragen worden), die vuur en kokend water bevatten, om ten alle tijde thee te kunnen maken, en die ook voor het opbergen van enkele versnapering dienen.
Een drager met een stoel of een krukje.
Het zogenaamde Opperhoofdskantoor, of een ladetafel voor het opbergen van papieren, enz., deze is zwart gelakt en met een rood lakens overkleed bedekt, waarop de gouden letters van de Oost-Indische Compagnie staan. Deze wordt door drie man gedragen.
Twee paar hassambakko’s, kleine koffertjes met kleren voor dagelijks gebruik, van het Opperhoofd en twee paar van de Scriba en de Doctor.
Twee dragers met Kappa Cagos , manden waarin de lantaarns en regenkleding opgeborgen worden.
De Oppertolk in zijn norimond, met twee bedienden, gevolgd door zijn kantoor; en twee hassambakko’s en Kappa Cago. Deze ambtenaar houdt de kas en de administratie der ongelden bij, die hij aan de geldkamer moet verantwoorden. En daarna volgt:
De Opperbanjoost met twee bedienden, waarachter een piekendrager loopt.
De harnaskast, die zijn oorlogsuitrusting bevat.
Twee Hassambakko’s.
Twee Kappa Cago’s, en eindelijk:
De oudste Onderbanjoost, met enige bedienden, die te voet of in draagstoelen de trein volgen; en met enige dragers van Hassambakko’s en ander reistuig de trein sluiten.
Men merkt in deze volgorde op, dat in de Japanners optochten altijd de hoogste in rang de mindere voorop laten gaan. De linkerzijde is bij de Japanners de hogerhand. Men vindt in hun gebruiken vaak dergelijke tegenstellingen met onze gewoonten.

vrijdag 4 februari 2011

Introductie

De Hofreis van 1822.

Het is al een beetje traditie dat er ieder jaar op de website van het SieboldHuis een verslag of dagboek van de Hofreis verschijnt in de vorm van een weblog. Ook dit jaar is dat zo.
Toen ik een paar maanden geleden het boek “Bijdrage tot de kennis van het Japanse Rijk” van J. van Overmeer Fisscher (1833) onder ogen kreeg, zag ik dat ook hij een hoofdstuk aan de hofreis gewijd had., Na een korte inleiding en een beschrijving van de volgorde van de stoet, geeft Fisscher een beschrijving van de heenreis in de vorm van een dagboek, maar van de terugreis worden maar enkele dagen beschreven. De schrijfstijl van Fisscher is heel anders dan die van De Cock Blomhoff, Von Siebold of De Sturler. Ze zagen op verschillende reizen vaak de zelfde dingen maar beleefden en beschreven het op hun eigen manier. Het werk van Fisscher is heel makkelijk leesbaar.
Johan Gerhard Frederik van Overmeer Fisscher (1800-1848), zoon van de Burgemeester van Harderwijk, was 4 jaar jonger dan Philipp von Siebold, maar kwam al in 1820 in Deshima, hij verliet Japan samen met Von Siebold, op de laatste dag van 1829. In 1822 mocht hij met de hofreis mee als secretaris. Tijdens de hofreis van Von Siebold, in 1826, hield hij, inmiddels gepromoveerd tot Pakhuismeester, als vervanger van Opperhoofd De Sturler, een officieel dagboek bij van de gebeurtenissen op Deshima. Wellicht kunnen dat dagboek hier volgend jaar openbaar maken.
Fisscher reisde in 1822 mee met het Opperhoofd J. Cock Blomhoff, die de hofreis toen voor de tweede keer maakte. Van de Hofreis van 1818 hield Blomhoff niet alleen een officieel Dagregister bij, hij maakte er ook een verslag van speciaal voor zijn vrouw Titia. Het boek van F. Effert en M. Forrer (2000) waarin dit verslag is gepubliceerd: “De hofreis naar de shōgun van Japan. Naar een verslag van Jan Cock Blomhoff van de hofreis in 1818.” is momenteel voor een heel aantrekkelijk prijsje te koop in het SieboldHuis. Omdat er in dit boek veel wordt uitgelegd over personen en zaken die ook een rol spelen in deze hofreis, is het heel geschikt om te lezen naast het nu volgende weblog.

Op dagen dat Van Overmeer Fisscher niets vermeldt in zijn verslag van de reis, zullen o.a. zijn aantekeningen over Deshima hier gepresenteerd worden.
De zinsbouw en spelling van oorspronkelijke tekst is aangepast aan de hedendaagse stijl.

Als er niets anders vermeld wordt, zijn de illustraties gemaakt door Kawahara Keiga en afkomstig uit de collectie van het Museum Volkenkunde in Leiden.

Martien van Oijen 4/2/ 2011

Hieronder volgen delen van: J. F. van Overmeer Fisscher, 1833. Bijdrage tot de kennis van het Japansche rijk. Muller & Co, Amsterdam.
Verslag van de Hofreis naar Edo in het jaar 1822. pp 281-320.
Decima, De factorij der Nederlanders op Japan. pp. 264-280.

vrijdag 6 augustus 2010

Slotopmerkingen bij het Dagregister van Johann Wilhelm de Stürler
door Martien van Oijen

Inleiding
Van 22 december 2009 tot 6 augustus 2010 stond een deel van het Dagregister [= officieel dagboek] van Kolonel Johann Wilhelm de Stürler, opperhoofd van Deshima van 1824- 1826, op de website van het SieboldHuis. De dagregisters van het opperhoofd werden ieder jaar met de terugkerende schepen naar Batavia gestuurd om de autoriteiten aldaar op de hoogte te houden van de ontwikkelingen op de handelspost in Japan. In Deshima werd een kopie van het dagregister bewaard. De opperhoofden lazen de dagregisters van hun voorgangers nauwkeurig om te achterhalen wat vroeger wel of niet toegestaan was. De Japanners waren erg conservatief in hun omgangsregels. Als iets eenmaal beschouwd werd te behoren tot het zogenoemde “kapittel” (= de gebruikelijke gang van zaken), was het heel moeilijk om te veranderen.
Kolonel De Stürler was van 28 juni tot 12 augustus 1823, samen met Philipp von Siebold, van Batavia naar Japan gezeild. De Stürler maakte als Opperhoofd-gezant de Hofreis van 1826 mee en keerde aan het eind van datzelfde jaar terug naar Batavia. Als opperhoofd was De Stürler verantwoordelijk voor het gedrag van alle “Nederlanders” op Deshima. Von Siebold was echter van mening dat hij een speciale opdracht had gekregen van Gouverneur Generaal Van der Capellen en dat hij daarover geen verantwoording hoefde af te leggen aan het opperhoofd van de handel. Von Siebold was heel vrij in de omgang met Japanners en deed dingen die volstrekt verboden waren (Zo nam hij bijvoorbeeld Japanse jagers in dienst om dieren te kunnen verzamelen). Als gevolg hiervan kwam Von Siebold regelmatig in conflict met De Stürler, die qua leeftijd zijn vader had kunnen zijn.

Het hier gepresenteerde deel van het dagregister ging over de laatste acht maanden dat De Stürler opperhoofd van Deshima was. Op 19 december 1825 sloot hij het dagregister van dat jaar af om het mee te kunnen geven met de naar Batavia terugkerende schepen. Op 20 december begon hij een nieuw dagregister dat eindigde op 5 augustus 1826 toen hij de leiding van de factorij in handen gaf van zijn opvolger G.F. de Meijlan, die op die dag op het eiland was aangekomen.
Tijdens de vijf maanden van de hofreis hadden De Stürler en Von Siebold waarschijnlijk veel meer contact dan op het eiland Deshima; ze aten en sliepen in dezelfde herbergen, baadden gemeenschappelijk in hete bronnen, vierden feest, en maakten ruzie. Als Opperhoofd gezant was De Stürler uiteraard officieel de belangrijkste man. Het opperhoofd was ook de enige Nederlander die de Shogun mocht begroeten (Let wel, op zijn knieën en diep voorovergebogen, zodat ook hij hem niet kon zien).

In het verslag van de hofreis dat Von Siebold publiceerde in zijn overzichtswerk Nippon, schrijft hij het volgende over De Stürler (Uit de vertaling van Van Oijen & Van Oijen, 2005):
“Met de verwachtingen die ik had van de kant van onze gezant, kolonel de Stürler, was het niet zo goed gesteld, want ik moet het met droefheid bekennen; juist de man die op Java zo'n warm aandeel had gehad in mijn missie en haar met zoveel ijver had gesteund, toonde zich nu, in Japan, niet alleen onverschillig of koud tegen alles wat mijn onderneming betrof, maar hij probeerde haar zelfs door een hele reeks hindernissen te verlammen of toch minstens te bemoeilijken.
Ik weet niet of de oorzaak van deze onwelwillende stemming gezocht moet worden in de aanbevelingen van onze regering, die mijn werkterrein verbreed had en mij meer zelfstandigheid in het wetenschappelijke onderzoeksgebied had gegeven, of omdat mijn onderzoek te dicht bij zijn eigen interesse kwam, of zijn plannen doorkruisten, of dat het komt door ziekelijkheid en ongenoegen, veroorzaakt door de minder gunstige uitkomst van zijn voorstellen ter verbetering van de handel.
Hoe het ook zij, mijn uitzending en uitrusting voor een onderzoek van Japan blijft hoe dan ook zijn eerste verdienste en daarvoor wil ik hem hier erkentelijk zijn.
Als de heer de Stürler het mooie doel van zijn eigen bestemming, en de bedoelingen die de regering daarmee had, onwrikbaar voor ogen had gehouden, en met volharding had gevolgd, dan zou zijn verblijf in Japan, zijn missie aan het hof van Jedo, en ook zijn overige stappen ter bevordering van de handel en het verwerven van grotere vrijheden, met het succes bekroond zijn, hetgeen ze ongetwijfeld verdienden; ze hadden dan in de geschiedenis van de Nederlandse handel met dit land een glanzend tijdperk gevormd.”

In Von Siebold’s verslag van de Hofreis wordt De Stürler regelmatig genoemd, meestal naar aanleiding van een incident waarbij Von Siebold zich stoorde aan het gedrag van het opperhoofd.
In het officiële dagboek van De Stürler zijn deze incidenten nauwelijks terug te vinden en Von Siebold of “de Doctor” zoals hij aangeduid wordt door De Stürler, wordt zelden genoemd.

Wie was J. de Stürler?
Onderstaande gegevens over J. de Stürler, gekopieerd uit de Genealogische aanteekeningen van de familie de Stürler, werden mij welwillend toegezonden door Mw A. de Sturler.

“ JEAN GUILLAUME DE STÜRLER, Kolonel in Nederlandsche dienst is geboren te Maastricht den 7 December 1774 en overleden te Parijs den 9 Januarij 1855.
Hij trad als Kadet der Artillerie in dienst in 1788, werd onder-Luitenant surnumerair in 1790 en 2de Luitenant den 27 December 1790. Hij woonde de veldtogten bij van 1793 en 1794 onder Zijne Hoogheid den Erfprins van Oranje. Den 18 Augustus 1793 werd hij door een matte kogel op de borst en den 13 September door een kogel aan de regter heup gewond. Hij heeft in 1795 de dienst verlaten, en in civiele dienst geplaatst, werd hij in 1808 als Inspecteur der Belastingen belast met de organisatie in het Departement van Oost- Vriesland; in 1811 was hij Controleur der Belastingen in het Departement van de Eems; daarna is hij verplaatst als Ontvanger principaal in het Arrondissement Assen, Departement van de Wester Eems.
In 1813 werd hij Kapitein der Artillerie bij besluit van het voorloopig Provisioneel Bewind en was den 24 November 1813 als Kommandant der Artillerie bij de bemachtiging van het fort Halfweg (Haarlem) en tot 1 December 1813 bij de inneming van Muiden en de blokkade van Naarden tot 13 Mei 1814.
In 1815, den 21 Januarij, ontving de Kapitein Stürler de benoeming van Inspecteur der lste klasse bij de Indische militaire Administratie; in 1819, den 25 April, die van Inspecteur met rang van tweede Kolonel en eindelijk in December 1819 die van Kolonel en chef der Oost-Indische militaire Administratie en is als zoodanig gepensioneerd den 3 Mei 1827. Intusschen was hij van 1824 -1826 Opperhoofd van den Nederlandschen handel op Japan.
De Kolonel de Stürler was den 21 Februarij 1797 gehuwd met vrouwe Sibilla Elisabeth van Biesen, geboren den 3 Maart 1774 en overleden den 28 September 1807; den 30 Junij 1816 huwde hij andermaal met vrouwe Willemina Maria Koli, geb. 21 Maart 1790 en overleden den 12 October 1817.”
Er is geen portret bekend van J. de Stürler.

Uit het op de website van het SieboldHuis gepubliceerde deel van het dagregister komt De Stürler naar voren als een goed opgeleid man die veel over heeft voor goede banden met Japanners, maar voortdurend problemen heeft met de tolken die de stoet vanaf Deshima begeleidden. Ook Von Siebold schreef in “Nippon” dat de tolken niet te vergelijken zijn met gewone Japanners, omdat ze bedorven zijn door jarenlange omgang met de Nederlanders en de handel op Deshima.
De Stürler werd drie jaar na zijn vertrek uit Japan, voor zijn aandeel in de kaarten affaire, net als Von Siebold “voor eeuwig” verbannen uit Japan.

De transcriptie
Het handschrift van de Stürler in het dagregister was niet altijd makkelijk te ontcijferen. Ik heb gewerkt vanaf een kopie op film in het Nationaal Archief in Den Haag die ik ter plaatse op een beeldscherm heb bekeken en heb opgeslagen een memorystick om thuis te bewerken. Voor assistentie bij het opzoeken van gegevens en het bedienen van de apparatuur ben ik dank verschuldigd aan de heren Leurdijk en Kanhai.
De taal in het dagregister wijkt af van modern Nederlands. Zelfstandige naamwoorden worden er vaak geschreven met een hoofdletter. Veel woorden hebben een afwijkende spelling (bv Dingsdag en Saturdag), op veel plaatsen is de “ch” vervangen door een”g”. De spelling is niet altijd consequent. Zinnen beginnen niet met een hoofdletter en eindigen niet met een punt. Het lijkt daardoor of de “zinnen” heel lang zijn. Een afbreekstreepje bestond nog niet, terwijl er relatief veel woorden afgebroken werden omdat de schrijfruimte beperkt was tot de rechterhelft van de pagina. Er worden regelmatig afkortingen gebruikt voor veelgebruikte woorden als Opper Rapporteur, Gouverneur, Gouvernement etc. Vaak staat de laatste letter van het afgekorte woord in superschrift.

Er is voor gekozen de tekst zoveel mogelijk over te nemen zoals hij 174 jaar geleden is geschreven. Ook woorden die opgeschreven zijn en daarna werden doorgestreept, zijn opgenomen. Letters die ik niet kon ontcijferen zijn aangegeven met een “x”. Om de tekst wat makkelijker leesbaar te maken, heb ik hem verdeeld in korte zinnen. Woorden die tussen “/:” waren geplaatst, zijn tussen ronde haakjes gezet. Eigennamen van Japanners en Japanse plaatsnamen zijn weergegeven zoals ze zijn opgeschreven in het dagregister.

Leiden, 30 juli 2010

donderdag 5 augustus 2010

Zaturdag 5.

gaven het nieuws op en ik gaf het Gezag aan den Heer Meylan over voor zooveel het wezenlijke van den dienst betreft, doch volgens overeenkomst met denzelven bleef ik uiterlijk voor den Japanezen het Gezag met hem gelijktijdig behouden.

En hiermee wordt het dagregister afgesloten op heden den 5 augustus 1826

woensdag 4 augustus 2010

Vrijdag 4.

Voormiddags komt het tweede Schip ter reede, voor Anker. Het Opperhoofd, de Kapitein en den Ambt Pistorius komen aan Land gaven het nieuws

dinsdag 3 augustus 2010

Donderdag 3.

’S ochtends om half zes Ure wierden sein schoten gedaan van een Schip in het gezigt.
Om 9 Ure gingen de gecommiteerden Burger en Gozeman naar buiten.
De Panoslieden kwamen op Dezima en Omstreeks den middag Ankerde het Schip Alexander [met] Kapt M. Marcussen ter reede, hebbende aan boord de Ambtenaren voor dit kantoor P. Van Outeren, C. Depmar en A. Manuel.De Kapitein en de Ambtenaren komen aan Land en het nieuws wordt opgegeven.
Des Achterniddags kwam het tweede schip De Onderneming [met] kapt Mr H. Lellz bij de Papenberg voor Anker , aan boord hebbende het Opperhoofd G:F: Meylan en de Ambtenaar van deze Factorij V. Pistorius. De Pamoslieden komen aan Land.

maandag 2 augustus 2010

Woensdag 2.

De Onder Raporteur bragt mij heden het op gister vermeld Translaat waarop ik zegde hem te zullen antwoorden. Ik sprak bij die gelegenheid nogmaals over de reparatiën en zegde dat ik den eisch veel te buitensporig vond.

zondag 1 augustus 2010

Dingsdag 1.

De Hr Oppertolk Sinzeimon kwam bij mij bezoeken. Ik vroeg hem mij de kosten op te geven van de Toonborden [?] van de K. [keizer] en andere geschenken en hetgeen ik nog verder aan hem wegens de reis, zou moeten betalen enz. die hij zegde mij eerstdaags te zullen geven.
De Onder Tolk Gonoski kwam vervolgens. Ik zeg hem dat mij het briefje van Tomifatsiro van vooreergister zoo onverstaanbaar was, dat ik er niets op kon antwoorden noch wilde, dat hij daarin sprak van eenen muur, die niets gemeen heeft met de onderhavige reparatiën en dat ik geene zware en ligte maar slechts gewone Komps Teiler kende, die voor derzelver numerieke waarde op Komps rekening wierden verrekend. Hij zegde mij, mij een Translaat te zullen bezorgen wegens twee xxx voorwerp Glazen door den waarn Scriba te Jedo den Keizer aangeboden. Ik zegde hem daarvan verder niets te weten dan dat ik zulks te Jedo uit een Translaat had vernomen doch dat zoodra hij mij het Translaat, daar hij nu van sprak, zou bezorgen, ik daarop zou antwoorden.
Dr von Siebold en de Teekr de Villeneuve naar buiten gegaan wandelen.

zaterdag 31 juli 2010

Maandag 31.

Niets voorgevallen

vrijdag 30 juli 2010

Zondag 30.

De ambtr VOFisScher, Gozeman en Burger met barken naar buiten

donderdag 29 juli 2010

Zaturdag 29.

Ik ging verzeld van den Pakhmr omstreeks 9 Ure naar het Gouvt alwaar het gebruikelijke Compliment aan den Gouvr aflegde, hetwelk eveneens beantwoord wierd, wordende ook den Pakhmr door den Secretaris gelukgewenscht over de goede Orde op Dezima staande mijne afwezigheid gehouden
Namidd: ontving ik een briefje van den Opp Rappr omtrent de reparaties hetwelk mij echter uit hoofde van den verwarrende inhoud onbegrijpelijk was, daar hij een van de Tolken is, die het minste hollandsch verstaat en het slechtste schrijft

woensdag 28 juli 2010

Vrijdag 28.

Om half zes Ure namidd: kwam De Hofreis Ondertolk (Jasiro) mij bekend maken, dat de Audiëntie morgen ten Acht Ure des ochtends bepaald was.

dinsdag 27 juli 2010

Donderdag 27.

Voormidd: kwam de Ond Rappr en de Tolk Jenzi (voor de Opp Rappr) mij de andere berekeningen brengen van den repar: die juist op de helft was gesteld van de vorige (algemeene) dat is $ 125,475 dan daar dat geld genoemd wierd Comps Zware $ en ik naar de betekenis daarvan vroeg, bleek het uit den opheldering die de eerstgend mij gaf, dat zulks slechts eene fictive berekening was en dat ik de volgende som zou moeten betalen, te weten $ 250,95 komp.
Ik was daarover niet weinig bevreemd en toonde den Ond: rappr aan, dat op de berekening van gister waarop $ 66,1 op de helft waren gesteld met (dus) Comps $ 33, 05 zonder verdere omschrijving en daarbij zegde ik hem dat op de voorige berekening die volgens bijzijnde briefjes van den Opp Rappr in Kompsgeld was berekend voor $ 250,95 zonder eenige meerdere omschrijving, dat ik ook slechts eene soort van Komps Teilen kende en geene Zware en ligte zooals hij beweerde dat bestonden en ik verklaarde hem in die berekening niet te kunnen noch willen treden. Hij scheen daarover verlegen en vertrok zeggende den Opp Rappr er over te zullen spreken

maandag 26 juli 2010

Woensdag 26.

Heden xxx voormidd: bragt mij de Wachtgehad hebbende Tolk Jezi een briefje van zijnen Schoonvader den Opp Rappr in antwd op mijnen brief aan hem met eene afzonderlijke begrooting van reparatiekosten van het Dak van de Doren ten bedrage gelijk bij de laatste begrooting van $ 66:1 dus Komps $ 33-0-5. Daar diezelfde post op de vorige begrooting alleenlijk met $ 66,1 was uitgetrokken zonder verdere specificaties of aanduiding van de soort van geld nam ik daaruit aanleiding om aan Jensi op te dragen aan zijn’ Vader eene begrooting te vragen ook van de overige reparatiën met dezelfde berekening van het geld in (half of) Komps geld, hem zeggende dat ik liever alle de reparatiën tegelijk wilde bezorgen.
Namiddags kwam de Onder Rappr mij bekendmaken, dat de Gouvr mij den 29e dezer zou afwachten en vroeg mij tevens of ik alsdan geen belet zou hebben. Ik zegde dat ik de eer zou hebben te gaan.
De Ambtr V.O.Fisscher, Burger en Gozeman zijn dezen namiddag naar den Stad geweest

zondag 25 juli 2010

Dingsdag 25.

Gelijk ook heden niet.

zaterdag 24 juli 2010

Maandag 24.

Niets voorgevallen, alnog geen der Rapporteurs vernomen.

vrijdag 23 juli 2010

Zondag 23.

ik hem in Substantie antwoordde dat daar deze beide opgaven slechts $ 22=4,2 minder dan de vorige waren, die afslag te gering was om daarop te letten en de posten daarop gebracht alnog te buitensporig hoog waren om die te kunnen debatteren. Dat ik slechts omtrent zijne assertie wegens den tijd van het zetten een van den tuinmuur aanmerkte, dat die muur op zijn hoogst twee jaren en vier maanden had gestaan terwijl de bepleistering reeds sedert lange was afgevallen en dat indien die muur die $ 48 gekost heeft, en voor welker reparatie thans
$ 32 (dus 2/3) gevraagd wordt, goed ware gemaakt geweest, die thans niet zou het geene reparatie zou behoeven, dat hij mij voorstelde om te proberen, om door den Kompradoor of eenen andere Timmerman, naar verkiezing, de reparaties te doen verrigten, doch dat hij wel wist dat ik geene verkiezing [=keus] had en dat daarom zodanige proef weinig zou nutten daar mij alsdan misschien nog meer zou moeten gevraagd worden, doch dat ik in de tegenwoordige berekening niet kunnende treden zoo hij mij geen billijke komen bezorgen, ik vooreerst de reparaties hoe nodig anders wel moest laten blijven, of anderszins daarin trachten te voorzien doordat daar ik, zoo lange het dak van de Doren niet gerepareerd was, bij eventuele komst der Schepen niet vermogt de manufacturen daarin te bergen en hem daarom verzocht mij eene billijke reparatie berekening van de reparaties te doen toekomen. --Ik stuurde hem daarbij de berekening van gister terug.
Genzabro de zoon van den op reis naar Jedo door zelfmoord overleden Tolk Dinzeimon geeft mij kennis van zijne benoeming als temporele Vice ondertolk en dat hij bestemd was om in Stede van wijlen zijne Vader naar Jedo te gaan om daar te verblijven.

donderdag 22 juli 2010

Zaturdag 22.

De Klerk Gozeman naar buiten met den Vice Onder Tolk Tokizero Visschen. Alnog geen Rapporteur noch de opgave.
Om bijna acht Ure dezen avond bragt mij de Vice ond. tolk GienSaimon een briefje van den Opp Rappr\met eene zoogend nadere berekening van den Timmerman en eene van den Metselaar van den vorengend reparaties ten gezamenlijke bedragen van $ 3250-9-5 en alzoo slechts $ 22=4,2 minder dan de vorige, waarbij hij de onbeschaamdheid had te zeggen, dat de kwestieuze Tuinmuur over 4 jaren, toen ik hier kwam gezet was, waarop

woensdag 21 juli 2010

Vrijdag 21.

De Schalen nazien, de balansen onderzocht eenige reparaties daar aan gemaakt zijnde door
de Pakhmr en klerk Gozeman waarbij ik op verzoek van eerstgemelde tegenwoordig was.---
Den Smit werden nog eenige reparaties of verbeteringen aan de balansen besteld en de tappen [?] te polijsten waarvan ik de bezorging aan den Pakhmr opdroeg.

dinsdag 20 juli 2010

Donderdag 20.

Ook heden geen der Rappr bij mij gekomen, noch de opgaaf ontvangen.

maandag 19 juli 2010

Woensdag 19.

Geen der Rapporteurs bij mij geweest. Ook de nadere opgave der reparatiekosten niet gekregen

zondag 18 juli 2010

Dingsdag 18.

het bleek dat het Sein zonder grond was geschied.
Voormidd: kwam eindelijk de Opper Rapporteur bij mij. - ik sprak met hem over den schandelijke berekening van zijne Timmerman voor de reparatiën en zegde hem daarom trent onbewimpeld mijnen gevoelen. Er was voor eenen onbeduidende reparatie van het dak en de beschieting van de Doren [pakhuis Doorn] $ 116,15 berekend welke met $ 25 zeer duur zou betaald worden, en voor de reparatiën aan het huis en den tuinen $ 157 waaronder het opnieuw
Bepleisteren van eenen tuinmuur die nog geen twee jaar gestaan heeft en waaraan alle de pleister is afgevallen, was voor meer dan $110 berekend is en die de Timmerman dus onontgeldelijk behoorde te repareren. De Opp Rapporteur vroeg mij hoeveel ik geven wilde. Ik zegde hem daarop geen bod te willen doen,’t en zij mij eene billijke berekening daarvan wierd voorgesteld, en dat ik hem verklaarde dat ik anders de Dorens [?] in den staat zou laten waar in dat pakhuis thans is, doch bij de aankomst der schepen de manufacturen er niet in zou plaatsen en gerust afwachten wat er van de zou worden.
Dat scheen op hem te werken, hij vroeg mij om de begrooting, liet den Timmerman roepen en hield zich alsof hij dezen sprak over zijn buitensporige berekening en zegde mij dat de
muur NB reeds 4 jn gestaan had. Ik zegde hem zeer bedaard dat hij wel wist, dat hij nog geene twee jaren had gestaan, en dat die zelfde (zijn eigene) Timmerman die had gezet.
Hij wilde toen de schuld op den metselaar werpen, doch ik zegde hem dat de metselaar immers slechts een koelie van den Timmerman was, en ik herhaalde nogmaals mijne zoo even gedane verklaring waarop hij de begrooting nam, zeggende, dat hij die nogmaals zou doen nazien en daarmede heenging.
Ik heb door hem den tegenwoordig zijnde Ottona verzocht om bespoediging der herbebouwing van de bottelierswoning hetwelk mij deze beloofde.
Sprak almede nogmaals over het uitdiepen van de Waterpoort

zaterdag 17 juli 2010

Maandag 17.

Welke kennisgave ik alsmede Schriftelijk aan den Gouvr overgebragt. Ik verneem van den wachth Tolk aan wien ik dien brief overgaf dat de Ond Rapporteur niet ziek althans van belang was -- en dat de Zieke Reparatiemr heden ochtend overleden was. – Ik zie wel dat de Tolken, mij trachten in verlegenheid te brengen daar de Schepen spoedig te wachten zijn. om mij te noodzaken de reparatie volgens de begrooting te doen geschieden zoo die voor aankomst der Schepen zullen klaar wezen.
Omstreeks half vijf namidd: kwam eenen bark van Fiseng binnen zeilen, sein doende van de aankomst van een Holl. Schip, doch

vrijdag 16 juli 2010

Zondag 16.

Tot heden de begrooting der Kampsreparaties niet hebbende ontvangen en geen der Rapporteurs sedert den 12 vernomen hebbende, Schreef ik heden den Opp Rappr om mij nog heden die begrooting te bezorgen en tevens dat ik wenschte dat dagelijks een der Rappr Tolken bij mij kwamen dat ik meende dat zulks dienst was
Ik ontbood den Kaiseris en liet hem door den wachth Tolk xxxxx xxxxxx xxx xxxxxx in bijzijn van den Pakhmr vragen, wanneer hij dacht dat de Botteliers woning welke herbouwd wordt zou gereed wezen: Hij bepaalde zulks op eene maand.
Ik zegde hem dat die woning voor de aankomst der Scheepen behoordde klaar te wezen, dat ik mij anders daarover zou moeten bezwaren. Ik verzocht hem dat de Trap die te voren op zij van het huis was, in de midden mogt geplaatst worden. Hij antwoordde daartoe order aan de Timmerman te sullen geven
Terwijl de Kaiseris bij mij was, kwam de Schoonzoon van de Opper Rappr (Jensi) mij namens den Ond Rappr de begrooting der Kamps reparaties brengen, welke zeer gespecificeerd was, doch de enorme som bedroeg van $ 273=37. 
Ik zegde aan Jensi dat hij geen rapporteur was, dat een den Tolken Rapporteurs mij die begrooting had behooren te brengen, en dat hij aan zijn moest Vader zeggen, dat ik wenschte dat een der Rappr dagelijks bij mij kwam en heden, met den timmerman had moeten komen, om over dien begrooting te spreken. Om echter de zaak te doen voortgaan, liet ik den Timmerman roepen, en bood hem de helft van zijnen eisch, hetgeen hij zegde niet te kunnen doen. Ik zegde aan Jenzi, dat hij er zijnen Vader van zou spreken daar ik den zoogend Timmerman slechts als den Koelie van den Opp Rappr en dezen als den aannemer beschouwde, dat ik de kosten der begrooting niet konde beoordeelen dat ik echter wel in zag dat alles vooral de Arbeidslonen buitensporig hoog berekend waren, dat ik het bod van de helft als nog veel te veel beschouwde, dat ik heden antwoord verlangde en anders op eene
andere wijze in die de reparaties zou trachten te voorzien.
Ik ging daar na met den Pakhuismr de beide zoogend kapiteins woningen bezigtigen en vond die in eenen slechten vervallen toestand. Ik droeg den Pakhuismr op om met den meeste
spoed den hoogstnodige voorzieningen tot eene behoorlijke bewoning derzelven te doen en met de minste kosten.
Namidd: gaat den Dr den Zieken Rekenmeester andermaal bezoeken.
De Ambtenaar de Villeneuve geeft mij schriftelijk kennis dat zijn huishoudster zwanger is, dat hij het Kind voor het zijne erkennen zal en als zoodanig daarvoor zorgen zal..—

donderdag 15 juli 2010

Zaturdag 15.

Kwam de wachth Tolk mij zeggen dat de Dr om 4 U 's namidd bij den patiënten van gister moest terugkomen, waartoe ik hem opdroeg zulks den Dr te melden.
Alsnog de begrooting niet bekomen ook heden geen der Rapporteurs bij mij.
Na den eten ging de Dr naar de Stad. -- de Klerk Gozeman verzocht mij mede te mogen gaan, hetgeen ik Toestond.

woensdag 14 juli 2010

Vrijdag 14.

ik bij billet een van hun ontbood. De Ond Rappr Schreef mij dat hij ziek was, doch beter zijnde morgen vroeg zou komen en dat den Timmerman beloofd had heden avond de begrooting der reparatie kosten te bezorgen.
's Namiddags kwam de zoon van den Opp Rappr namens zijnen vader uit naam van den Gouvr verzoeken dat Dr v. Siebold bij eene Zieken reparatie meester moest komen.
Die dan ook kort daarna ging.

dinsdag 13 juli 2010

Donderdag 13.

Niettegenstaande ik bepaald had, dat een der Rapporteurs dagelijks bij mij moest komen, heb ik heden geen van beiden vernomen waarom

maandag 12 juli 2010

Woensdag 12.

Wordt diezelfde Jonk op de reede geboegseerd, drijvend gehouden door ledige Zakken balies en bamboeien De Opp Hofreis bark lost onze goederen. De tot dat einde op Dezima gekomen Hofreis, en een tweede Opper en de drie Hr Onderbanjoosten, de Tolken enz. worden bij mij op Jap: eten en Zakki onthaald, waarbij de Pakh mr, de Dr en den waarn Scriba tegenwoordig zijn.
Bij dien gelegenheid herinner ik den tegenwoordig zijnde Ottona, dat voor de Waterpoort moet gebaggerd worden en zet den Ond Rappr aan om mij Spoedig de begrooting voor den Timmerman van de gister opgenomen Kamps reparaties te bezorgen.
Kreeg heden de notitie *van den klerk Gozeman* daarover.

zondag 11 juli 2010

Dingsdag 11.

Ik spreek met den Hr Opp Tolk Sinzeimon over het lossen der HrBark. Hij zegt mij dat eerst de Stadsgoederen moeten gelost worden maar dat hij zal vragen om de levende dieren hierbij te ontschepen die ook grotendeels aan land worden gebragt.
Met den Pakhmr: V O F[= Van Overmeer Fisscher], den Klerk Gozeman, den Ond Rappr en den Timmerman van Den Opp Rappr de reparaties aan den kampsgebouwen opgenomen.
Den Goederen der Chin Jonk die wij bij Kambarra hebben zien liggen en die op haar reis herwaarts bij Firando verongelukt is gestoken [?] heeft, worden in drie Japanse barken aangebragt.

zaterdag 10 juli 2010

Maandag 10.

De Hofr. Bark komt ’s midd aan. [Ik] ontbood den Ond Rappr om over de lossing te Spreken.—ontbood tevens den timmerman tot de opnamen der repar: aan de Kampsgebouwen de De nieuw aangestelde xxxxxxxx Tolk xxxx particuliere Tolk Kawa barra Hese joro geeft mij kennis van zijn benoeming
Den Ond Rappr komt namiddags doch door een misverstand van eenen mijner Jav. Jongens vertrekt hij weder en laat een briefje achter dat hij morgen vroeg zou komen. Ik schrijf hem een briefje daarover

vrijdag 9 juli 2010

Zondag 9.

Rusten heden uit.

donderdag 8 juli 2010

Zaturdag 8.

Ontving van den Pakhuismr de verzegelde Sleutels terug van de Kamferhouten Kist benevens die van het brandvrije Pakhuis.--die mij ook overhandigde zijne gehouden en hieronder volgende

Aantekeningen gehouden Te Japan, gedurende de afwezigheid van den W Ed Gestr Hr J.W. de Sturler, Opph van den Nederl: handel alhier, in gezantschap naar den Hoofdstad van dit Rijk, door mij ondertekende J. F. van O: Fischer Pakhmr dezer factorij
Insuratur

Voorts overhandigde ik aan den Onder Rapporteur ter behandiging aan denGouvr eenen brief waarbij ik dezelven bedankte voor de toestemming tot den Hofreis en tegelijk Audiëntie verzocht om hem mijn Compliment te maken

woensdag 7 juli 2010

Vrijdag 7.

Overhandigde ’S ochtends vroeg [bij] ons vertrek 689 ¾ Kobangs in Specie aan de Kompradoor nadat dat Geld door de Banjoosten`was verzegeld geworden. –
Gingen vervolgens van daar, de Pakhm: en de twee andere Ambtenaren kwamen ons te gemoed en wij kwamen omstreeks 10 U: voorm: te huis aan.
De Opp banjoost kwam en ik bedankte hem volgens gebruik. –

dinsdag 6 juli 2010

Donderdag 6.

te Jagami.

maandag 5 juli 2010

Woensdag 5.

te Omura - waar [we] de stad doorwandelden.

zondag 4 juli 2010

Dingsdag 4.

te Orezano.

zaterdag 3 juli 2010

Maandag 3.

te Oziets.

vrijdag 2 juli 2010

Zondag 2.

te Taziro

donderdag 1 juli 2010

Zaturdag 1.

Vervolgden onze reis en kwamen heden te Itsoeka.

woensdag 30 juni 2010

Vrijdag 30.

Volgens een bij de opreis door den Dr von Siebold gedaan voorstel om de door denzelve opgenomen en gemeten Straat (of het naauw) tusschen de eilanden Sikokf en Kiushu ter ere van Z: Exellentie Gr Gl vd C: hoogstderzelfs naam te geven, hebben wij een door den destinateur De Villeneuve daartoe vervaardigt en van eenen vergulde lijst met glas voorzien tafereel in den tempel Amidazi doen geplaatsen.xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx bevattende een fraaie getekende Cartouche met den woorden hier de straat VD C en het door gen. Dr. gemaakt Latijnsch veers.
Transites ILLIUS nomen mandatas videndi
Hoc regninum nobis qui dedat cumas ferat
/Gedagtd/ Amidati den 24 febr 1826

Het gezantschap naar het K: Hof
Was getd De Sturler Dr von Siebold H. Burger
Opp & Gezant

Namiddags met barken te Kokura alwaar dezen nacht verbleven. Deden heden eene wandeling door de stad.

dinsdag 29 juni 2010

Donderdag 29.

wanneer wij ’S morgens 2 U: te Simonoseki ankerden en 'S ochtends vroeg aan land stapten.

maandag 28 juni 2010

Woensdag 28.

De boegseervaartuigen verlieten ons in de namiddag, en zeilden met flaauwe koelte tot

zondag 27 juni 2010

Dingsdag 27.

Gingen de twee andere Heeren voor en namidd aan Land. Omstreeks 5 U: namiddag ligten wij anker en wierden den gehelen nacht geboegseerd. Zonder nochtans veel te vorderen.

zaterdag 26 juni 2010

Maandag 26.

Het slechte weder aanhoudende, bleven wij alhier tot omstreeks 2 U. namiddags wanneer wij anker ligten en tegen den avond in de haven van Kaminoseki ankerden.

vrijdag 25 juni 2010

Zondag 25.

Des ochtends zeer vroeg met goede wind doch stroom tegen wederom verder geboegseerd tot voor Mitereie alwaar ankerden, en kort daarna wederom onze reis voort te zetten tot Kamoera, waar wij om regen en mist moesten ankeren; en 'S nachts een hevige wind hadden. – Gelukkig beschutte het land eenigzins. 'S nachts liet ik den schipper zeggen om nog meerder ankers uit te werpen hetwelk geschiedde.

donderdag 24 juni 2010

Zaturdag 24.

Omstreeks 3 U: na middernacht wierden wij vandaar geboegseerd. – Doch ankerden des ochtends om 10 U: uit hoofden van den Sterke regens. Vertrokken weder met boegseer vaartuigen doch moesten tegen den avond weder voor anker gaan in de nabijheid van Mitereie.

woensdag 23 juni 2010

Vrijdag 23.

wierden wij te Tomo binnen geboegseerd. Al waar wij in den binnenhaven voo 7 ½ uur ’S ocht. ankerden en alle drie aan Land stapten en den dag doorbrachten.

dinsdag 22 juni 2010

Donderdag 22.

Kwamen heden tot voor de haven van Tomo waar ankerden em den

maandag 21 juni 2010

Woensdag 21.

Ligten 'S ochtends het anker, doch moesten namiddags het wederom laten vallen om stilte en water in te nemen. –en gingen dr v S en B: aan land. – gingen wederom onder zeil nog moesten om stilte en tegenstroom weldra weder Ankeren.

zondag 20 juni 2010

Dingsdag 20.

kregen wij Sterke en tegenwind, wierpen wij het anker bij Simodozima

zaterdag 19 juni 2010

Maandag 19.

Na den middag Scheepten wij ons in de Hofreis Bark. Vorderen heden redelijk. doch

vrijdag 18 juni 2010

Zondag 18.

Heden ging ik met de gend Heeren door de stad wandelen, en wij vertoefden eenige tijd in een Theehuis.

donderdag 17 juni 2010

Zaturdag 17.

De beide andere Heeren deden eene wandeling in de stad. Ik bleef te huis omdat mijn been mij het gaan nog altijd moeijelijk en pijnlijk maakte, doch

dinsdag 15 juni 2010

Donderdag 15.

Om 6 U. des ochtends vertrokken wij en kwamen op den middag te Fiogo, alwaar xxxxxxxxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx vertoefden om met de Bark onze reis voort te zetten.

maandag 14 juni 2010

Woensdag 14.

Vertrokken na gehouden middagmaal om h. 2 Ure. Het Opperh in eene en de beide andere Heeren in eene tweede bark, terwijl ik mijn ongenoegen aan de Opper Tolk had te kennen gegeven, dat hij slechts eene bark voor ons drieën had bestemd wij kwamen tot Amagazakki en van hier tot Nimomasse te land, waar wij ten 7 U: aankwamen.

zondag 13 juni 2010

Dingsdag 13.

Rusten heden uit. De Opper Banjoost kwam ook heden en stelde mij voor om dadelijk van hier met de barken naar Amagasakki te vertrekken, waar in ik toestemde. Ik ontving heden $ 1000 van de Geldkr Waarvoor [ik een] kwitantie afgaf.

zaterdag 12 juni 2010

Maandag 12.

Wij vertrokken om Zeven Uren naaar de Komedie die omstreeks 8 Ure begon. De zaal was ruim en nagenoeg in den Europeschen bouwtrant ingerigt, doch alles tot den Gordijnen toe zag er uiterst morsig en haveloos uit. Doch de toneelspelers waren in het algemeen redelijk en sommigen zelfs zeer goed. De kleeding der meesten was prachtig en rijk. De Decoratien waren eenigzins anders dan de onze ingerigt doch vrij fraai. Het eerste stuk had veel goeds en zou waarschijnlijk in Europa niet afgekeurd worden. De volgende Stukken (men moest er Vier Spelen) bevielen ons minder en wij keerden omstreeks Vier Ure naar huis. – De Opp banjoost nam afspraak met mij over de reis.

vrijdag 11 juni 2010

Zondag 11.

Om half een vertrokken. Hadden audiëntie bij de beide Gouverneurs. Wierden aldaar op de gebruikelijke wijze ontvangen en onthaald op Thee, Japanisch eten, zakki en banket. – Bij den tweede Gouverneur waar men anders ziet te Paard rijden, wierd zulks ditmaal niet gedaan onder voorgeven dat de bereider ziek was.
Wij gingen vervolgens de KoperSmelterij Maandag bezigtigen waarvan de inrigting aller slechts is. – Na die bezigtiging wierden wij ons den Koper Smelter zeer goed op Japanische verversingen, vruchten en zakki onthaald. De tafel was met eenig zeer fraai Europeesch Zilver en glaswerk gedekt en men had de attentie gehad ons stoelen te geven, zoodat wij hier beter dan ergens anders in dit land ontvangen zijn geworden. – Tegen het vallen van den avond, gingen wij bij den Vogel verkoper, waar echter niet meer dan vijf vogels en drie honden te zien waren. Zodat wij spoedig naar ons Logement terugkeerden.

donderdag 10 juni 2010

Zaturdag 10.

Gingen om half tien Ure in Norimons naar buiten, eerst naar het Theehuis Naniwaya bezagen aldaar den sparreboom die zeer groot en aardig, als een rond dak geleid is, vervolgens bezagen wij deTempels Soemius en Faninoze , waar een Toren is die vrij fraai en stout gebouwd is. – Vandaar gingen wij naar het Theehuis Woekamoesei en bezagen in het naar huis keeren den plantentuin en kwamen om acht Uren in het logement terug.

woensdag 9 juni 2010

Vrijdag 9.

Voormiddags bezochten mij de hier zijnde Reken en reparatie meester en bepaalde ik met de Opper Tolk de uitgang dagen, des Audiënties op den 12 en het vertrek den 14 dezer. –De Opper banjoost kwam mij verzoeken morgen vroegtijdig van huis te gaan. Later kwam de Onder Tolk mij zeggen dat den 7e de audiëntie verhinderd zijnde de 6e die plechtigheid zou kunnen plaatshebben en daartegen het gaan naar de Komedie als dan op den 7e. Al weder streken van de Tolken, misschien om het vertrek te vervroegen. – doch gewis hebben zij er iets mede voor. –
Namiddags kwam binnenkants een Gouvrs Secretaris mij bezoeken

dinsdag 8 juni 2010

Donderdag 8.

kwamen wij om half zeven Ure des ochtends te Ozzaka aan waar tegen de avond ons eenige kennissen bezochten.

maandag 7 juni 2010

Woensdag 7.

Vetrokken om een uur en kwamen om zeven ik kon om den verre afstand die te voet moest afgelegd worden, niet den Keizerlijke Tempel bezigtigen. – Ik bezag alleen eene zeer groote klok die in de voorhof staat en ging volgens Kapittel naar een zogenaamd Theehuis, om het overige gezelschap af te wachten. Daar ik zag tot mijne bevreemding dat het slechts uit eene loots bestond, aan alle kanten open, en daar ik het beneden mijn waardigheid achtte mij daar aan eene opzettelijke daartoe bij een gevleide menigte ten toon te stellen, bleef ik een mijnen Norimoro zitten, en gaf mijn ontevredenheid daarover den Tolken te kennen. – Ik bezag vervolgens de Tempel (Daiboeto) of zogenaamde Tempel der 3330 beelden, dien ik met moeite half afging en vertrok naar Foesimi waar wij bezoek kregen van eenige Miakosche Doktoren, die ons tot daar hadden uit verzeld. – Om half tien ‘S avonds gingen wij naar boord, ik van eene zeer vrij fraaie en wel ingerigte bark en de twee overigen Heeren in eene andere, ieder met onze Dienaren, terwijl de Opp. en Onder banjoosten en Opp: en mindere Tolken in andere bark gingen. Wij zakten de rivier af en

zondag 6 juni 2010

Dinsdag 6.

Alzoo het heden compliment dag was, gingen wij eerst voor een Uur eerst naar den Opp. Regter en vervolgens bij de twee Gouverneurs. – Hoewel mijn voet zeer pijnlijk was, viel het mij minder moeilijk dan ik ververwachtte. – Bij den Opp Regter wierden mij na de Audiëntie eenige horlogien en derzelven kettingen vertoond met verzoek op te geven waar die gemaakt waren, en aan den Doctor eenige vragen gedaan wegens Vogelen waarvan hem twee vertoond werden. – Bij een’ der Gouverneurs werd den Dr gevraagd of een zieke Dienaar hem mogt komen raadplegen. Hij bood aan die in het gouvt te zien bezoeken, waar eerst gezegd was dat hij woonde. Doch na eenige tijd wierd gezegd dat hij te veraf woonde, en wij vertrokken zonder verder iets daarvan de vernemen. – Na de middag kwam de Opp Banjoost om tegenwoordig te wezen, bij het ontvangen der zogend Gezanten. Deze kwam vervolgens, doch de beide van de gouvrs zo laat, dat ik aan de Tolken zegde te zullen opstaan indien zij niet spoedig kwamen. – Zij bragten zoo als gewoonlijk vijf Kabaaijen en tien Schuitjes Zilver tot tegengeschenk.

zaterdag 5 juni 2010

Maandag 5.

De Opp Banjoost kwam heden twee malen bij mij, alzoo ik verklaard had niet te zullen ter audiëntie gaan ten zij mij toegestaan wierd, om mij in een leuningstoel van mijn Norimoro tot in de audiëntiezaal te laten dragen, omdat ik niet over de losse steenen kon gaan waarmede het voorplein der Jap: huizen van voornamen Ambtenaren gewoonlijk belegd zijn. Dit liet de Opp Banjoost door den Hospes aan de binnenkant onderzoeken, of dat openlijk zou gevraagd kunnen worden. – . – Dan het antwoord niet gunstig zijnde wierd bepaald, dat ik door twee mannen ondersteund, over den plaats zou gaan. Ik gaf echter te kennen, dat zoodra mij zulks te bezwaarlijk zou worden ik naar mijne Norimoro zou teruggaan. Hierover was de Opp. Banjoost in groote verlegenheid. Ik stelde hem echter, daar ik anders geene bijzondere reden van klagen over hem had, gerust door hem te beloven dat ik alles zou doen wat ik vermogt om ter audiëntie te gaan.

vrijdag 4 juni 2010

Zondag 4.

De Opp Banjoost kwam heden voormiddag, er wierd wederom lang gedebatteerd of den Audiëntie morgen zou plaatshebben, dan op mijn voorstel wierd dezelve op overmorgen bepaald. Ik kreeg heden alsmede veel bezoek.

donderdag 3 juni 2010

Zaterdag 3.

Voormiddags kwam den Opp. Banjoost. Hij en de Tolken drongen aan op dat ik mij zou verklaren of ik overmorgen al dan niet ter Audiëntie zou kunnen gaan. Zij sloegen mij voor om alleen de twee andere Heeren in mijne plaats te sturen indien het ongemak aan mijn’ voet mij belette te gaan. Dit laatste weigerde ik echter en na lange woordenwisseling werd bepaald, dat de Opp Banjoost morgen mijne decisie deswegens zou komen vernemen. Den Tolken gaven mij te kennen dat de Opp Banjoost zeer verlegen was daar ons verblijf alhier langer dan gebruikelijk moest plaatshebben.
Namiddags kwamen drie Docters van den Geestelijke (of zoo als den Japanner hem noemen, Erf) Keizer waar onder een die mij aangekondigd wierd als hoger in rang dan de N: Gouverneurs. Zij boden mij eenige geschenken van fraaije Japansche teekeningen enz. aan.
Een dier Heeren bragt eenen schilder van Den Dairi mede die mij eenige teekeningen van zijn werk aanbood en nog eenige schetsen in mijn bijzijn teekende.

woensdag 2 juni 2010

Vrijdag 2.

bezoek van onze kennissen bij de opreis gemaakt en namiddag stuurde mij de Fjoenago Foeziwarano Fajotaeje door een zijner Dienaren een Japansch gedicht en eene tekening op zijde welke eerste hij mij bij den opreis beloofd had met eene zeer beleefden boodschap dat ik maar had te zeggen wat ik verlangde en dat hij het mij zou bezorgen waarvoor ik hem beleefdelijk liet bedanken, hem slechts verzoekende ons een fraaie Eng: gekleurde plaat en een theekopje en schoteltje dat ik hem stuurde tot een aandenken te willen aannemen.

dinsdag 1 juni 2010

Donderdag 1 juni.

Om 10 Uren voormiddags ten Miako. Kreeg heden en

maandag 31 mei 2010

Woensdag 31.

tot Oots, en

zondag 30 mei 2010

Dinsdag 30.

Tot Isibe.

zaterdag 29 mei 2010

Maandag 29.

tot Zeki.

vrijdag 28 mei 2010

Zondag 28.

In den Bark over zee tot Kwana tot Jokats waar ik in den donker mistredende, mijnen Voet zwaar verstuikte.

donderdag 27 mei 2010

Zaterdag 27.

tot Mia.

woensdag 26 mei 2010

Vrijdag 26.

tot Akazakka (zijnde van Maizakka tot Arai met de Lhr bark gereisd)

dinsdag 25 mei 2010

Donderdag 25.

tot Hamamats.

maandag 24 mei 2010

Woensdag 24.

tot Nietsisaka.

zondag 23 mei 2010

Dingsdag 23.

tot Foetjoe.

zaterdag 22 mei 2010

Maandag 22.

tot Kambarra.

vrijdag 21 mei 2010

Zondag 21.

tot Mitsima.

donderdag 20 mei 2010

Zaturdag 20.

Vervolgden onzen reis en kwamen heden tot Odawarra en

woensdag 19 mei 2010

Vrijdag 19.

Om half zeven Ure vertrokken, te Kanagawa eten en te vijf Uren te Foesisawa aangekomen, alwaar den nacht xxxxxxx bleven.

dinsdag 18 mei 2010

Donderdag 18.

waarvan deze ochtend het Translaat ontving.
Na lang wachten kwam den Hreis Opperbanjoost en twee Opp banj: van den hier zijnde Gouvr die mij een schriftelijk bevel van dien Ambtenaar bragten. – om den Kapit bij de terugreis de kapittels goed in acht te nemen en alle ‘S morgens vroeg op reis te gaan. –
Vertrokken voor den middag en vonden te Omori (grootbosch) den oude Lh: van Satsuma, die mij daar verzocht had met den Vrijheer van Nakats en deszelfs andere zoon, den Prins Sakonsama die ons op het minzaanst ontvingen en gelijk ook de beide anderen eenige geschenken aanboden. De eerstgenoemde Prins verzocht mij een’ zeer fraaijen Likieusch roodverlakt etensbak met geëmailleerde bordjes waarin eenige Japansche versnaperingen voorgediend waren, als ook eene groote Kruik Likieusche Arak te behouden. De oude Prins was bijzonder vriendelijk, minzaam en opgeruimd, zoodat hij eigenhandig xxxxxxx ons Zakki inschonk. –
Z:H: sprak enige woorden Hollands zeer duidelijk en verstaanbaar. – Wij namen afscheid van den Vorst en gingen naar Obotoké mai. waar Daar ik namelijk den Vrijheer van Nakats, die een zeer goed Ruiter is, het verlangen had te kennen gegeven om hem te paard te zien, had de Prins de beleefdheid met vijf of zes zijner dienaars ons te paard voorbij te rijden. Z:H: wachtte ons te Obotoké Mai op en onthaalde ons daar in een vertoefhuis, ons tevens eenige aardige Strowerk aldaar gemaakt in geschenk aanbiedende en mij bovendien eene Kas met zeer fraaijen Zakki Bakjes. – Wij namen afscheid van Z:H: en kwamen omstreeks half acht Ure te Kawazakki.

maandag 17 mei 2010

Woensdag 17.

Dr. von Siebold stuurde mij het kruidkundig werk van Waxxxx[?] terug en Schreef mij daarbij enz,

Den brief zie #

# Ik zond het boek aan den Gouvr met den brief . Insuratur Kbb Nº 18.

'S avonds kwam de Opper Banjoost en bepaalde het uur van het vertrek met mij en kort na hem de Gouvr 2e secretaris om mij het antwoord van de Gouvr op mijnen brief do 8[?] dr te geven zijnde dat xxxx xxxxx daarover naar N: [Nagasaki?]zal geschreven en onderzocht worden.

zondag 16 mei 2010

Dingsdag 16.

De oude Lhr van Satsuma liet mij door den Opp Tolk verzoeken om overmorgen in eene rustplaats nabij Z: H: Paleis te vertoeven om mij aldaar te ontmoeten omdat de hooge jaren van den Vorst hem belette verre te gaan, dat en tevens indien het weder het toeliet en het mij niet te moeijelijk viel, om voorbij Z: H: Paleis te voet te gaan. De Opp Tolk zegde mij dat de Vorst voornemens ware mij in de rustplaats op de Jap: wijze te onthalen. – Ik antwoordde dat ik zeer gaarne aan Z:H: verlangen zou voldoen en dat ikzelf den Vorst zou verzoeken niet ver te gaan, dat het mij zeer leed was, dat ik Z:H: in deszelfs Paleis niet vermocht te bezoeken, dat ik anders mij aldaar zou begeven, om de Vorst de moeite van het uitgaan te benemen.—

Later zond mij de Vrijheer van Nakats een tegengeschenk bestaande in eene zeer fraaije teekening om in een Toko te hangen, een verlakt papier Kastje om daarvoor te zetten en een dito Papier doos of Jap: lessenaar en een Inkt koker of doos. –

zaterdag 15 mei 2010

Maandag 15.

De Opp Tolk bragt mij het Translaat van het op gister ontvangen antwoord van den Gouvr. –Ik zond den Opp Banjoost twee Ikjes met Laken waarvan een half Ikje in stede van de twee (Kapittel) stukken Patnam [?] Sitsen en een koebang voor de voering van den Mantel. En aan den 3 Onder Banjoosten 3 Ik: do Laken in stede van den 3 St (Kap:) Tafachelaxxxx

' S avonds kwam de K: Hof sterrenkundige (eigenlijk Boekbewaarder) en deed mij verscheidene vragen omtrent de Duitschen Keizer en enige andere Duitsche Vorsten. –

Ik toonde hem de nieuwe Nederlandsche lengtemaat (El) en deed hem de gronden kennen waarnaar die berekend is, en tevens dat ook de inhouds en zwaarte maten daarmede in verband staan.. –Hij begreep alles zeer wel en hoorde het met genoegen aan (ongelukkig kon de Tolk mij niet volgen). – De Sterrenkundige den Duimstok wenschende te hebben, gaf ik hem dien. – Hij had mij onlangs gevraagd doen vragen of men te Batavia of in Holland een kaart voor hem zou kunnen graveren, en daar ik geantwoord had, dat ik vooraf die kaart wenschte te zien, had hij dien medegebragt en ik was wezenlijk verstomd die te zien, daar ik twijfel of men in Europa wel iets beters zou kunnen maken. Het is de kaart van geheel Japan op eene groote schaal, volmaakt goed getekend met aanwijzing der gronden. – Ik vernam dat omtrent 30 jaren lang op die kaart gewerkt was, er zijn in alle de gedeelten van het land, deskundigen gevonden om de opnemingen te doen, alles op ’S Keizers kosten. – Die onderneming en de uitvoering[?] doen waarlijk de Natie eer aan. – Hij zegde mij aan den Keizer permissie te zullen vragen, om de kaart naar buiten ’s lands te zenden, en het anders binnenkants zou doen. Ik zegde hem dat mijn gouvt zonder twijfel gaaarne behulpzaam zou zijn om die kaart in plaat te doen brengen, hetgeen hem zeer genoeglijk was. – – Hij zegde mij dat de evenredigheid der Japanse mijl was nagenoeg als 28 1/5 tot de onze zeemijl van 15 in de graad. – en gaf mij de bevolking van Jedo op als omtrent 1.300.000 alleen de burgers, doch dat de soldaten, Lhr Dienaren en vreemden nog veel meer bedroegen en dus dat geheel onzeker ware.

vrijdag 14 mei 2010

Zondag 14.

Voormiddags kwam de Opp Tolk en zegde mij dat het verzochte uitstel van vertrek tot den 18 was toegestaan, doch dat dan geen langer uitstel kon toegestaan worden. Later kwam de Opp banjoost en gaf mij hetzelfde namens den Gouvr te kennen. Het scheen alsof hij veronderstelde dat ik nog langer hier zocht te blijven. Ik zegde hem, dat ik wel niet eigenluk ziek, doch door pijnen in de lenden en beenen vreesde onderweg ernstig ziek te zullen worden, en dan liever hier wenschte te zijn, dat ik op aanraden van den Doctor morgen zou medicineren – doch dat indien ik niet erger wierd, ik den 18 zou vertrekken, dat ik echter niet den 16e tot vertrekken bepaald had doch zoo als hij zegde, maar dat mij zulks aangezegd was, zonder mij daarover te raadplegen.

Namiddags, kwam dezelfde Ambtr en bragt mij het weigerend antwoord van den Gouvr op mijne verzoeken bij missieve van den 10n en daarbij mijne twee brieven, Nr 1 en 3, terug. – Het verzoek om $ 1000 voorschot wierd toegestaan.

De oude Lhr (nu Vrijheer) van Satsuma, stuurde mij een tegen geschenk voor het aan den 11e dr gezondene eenen Kas Sasumasche Tabak, een allerfraaist verlakt Toko tafeltje en dito Bloempot, eene Kas papier en een tinne pot met beste Thee. Z: H: liet mij tevens om enige kleinigheden verzoeken.

'S avonds kwam den Vrijheer (Prins) van Nakats bezoeken en souperen met mij. Z:H.: bragt mij tot tegengeschenk voor het aan Z. H. de 11e dr aangebodene een allerfraaist verlakt Tafeltje en van derzelfs Broeder Sakonsama voor het dienzelven dag hem toegezondene een verlakt Baxxxx Kast of doosje

De Prins mij deszelfs verlangen hebben te kennen gegeven een gedrukt xxxxx

LakenTafelkleed te hebben

Ik bood den Prins aan een Karpet Tapijtje: een Ikje do blaauw Kasimier, eene witte Eng. Ionnette [?] Pantalon, een paar nieuwe Zeemlederen handschoenen, een paar nieuwe Zijden en een paar do fijn katoene kousen. – Om middernacht vertrok de Prins mij belovende ons te paard uitgeleide te zullen doen, en mij voor ons vertrek nog eens zullen te bezoeken. De xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx.

donderdag 13 mei 2010

Zaturdag 13.

Mij niet wel bevindende gaf ik den Opp Tolk daarvan kennis met Opdracht een uitstel tot den 18 te vragen.--

Ik comitteerde den waarn Scriba tot het tellen der K: Kabaaijen en het wegen van de Zijden Watten en vervolgens tot het doen inpakken en verzegelen.

Ik stuurde heden het op gister den Gouvr toegedacht geschenk met bijvoeging van een allerfraaijsten porseleinen Kom met deksel, ter bezorging aan den Opp Tolk.

Op verzoek van den ouden Landsheer van Satsuma stuurde ik Z: H: twee vergulde wijnglaasjes, een Vel Marocco leer, twee stukjes goudleer.

woensdag 12 mei 2010

Vrijdag 12.

Mijne Dienaar gister buiten mijn weten den Gouvr een Lap goudstof, dien ik voor hem bestemd had, gebragt hebbende, kreeg ik het heden terug met aanzegging dat een der Tolken het behoorde aan te bieden.

De Opp Tolk bragt mij heden het veranderd Translaat wegens den Landkaarten en de Objectief Glazen van den waarn Scriba, waarvoor [ik een] recu afgaf.

Hij gaf mij kennis dat de ligting was toegestaan. Ik commiteerde den Scriba om die te ontvangen, hetwelk hij verrigtte.

De oude Vorst van Satsuma liet mij vragen, om mij te Sinagawa te ontmoeten. Ik liet den Vorst dringend bidden mij die eer aan te doen.

Had heden wederom veel bezoek, waaronder de vrouw van den Secretaris van eenen Rijksraad, aan wie ik een fraai xxxxx porseleinen Schoteltje en kopje aanbood.

'S avonds kwam de Zoon van de overledene Lhr van Mito, bloedverwant van den Keizer, en meer anderen. Ik stuurde op zijn verzoek aan de Lhr van Inoyamma een kristallen Reukflacon.

dinsdag 11 mei 2010

Donderdag 11.

Heden ochtend omstreeks half zes wilde de eerste kok zich zelven het leven benemen. Hij sneed zich een groote wond in den hals die gelukkig niet doodelijk was. De doctor was er dadelijk bij en verbond hem—ik vernam het eerst een geruime daarna.

Daar het mij uit het gedrag van den Opper Tolk, met den brief over de lichting voorkwam als had hij daar iets mede voor, liet ik hem roepen en zegde hem dat ik nog heden een antwoord van den Opp. banjoost wenschte te hebben dewijl ik anders mij daarover aan den Gouvr zou moeten adresseren omdat ik vreesde dat het te laat zou worden wanneer ik misxxx zou wezen

Hij nam, of scheen dat gezegde zeer euvel op te nemen en ging zich bij den Opp banjoost beklagen, die bij mij kwam en ontevreden scheen, hetwelk mij niet bevreemde, omdat de Tolken alles doen en reeds gedaan hebben om hem tegen mij in te nemen. Dan ik zegde hem, dat het gedrag van den Opp Tolk (deze vertolkte het!) mij Singulier voorkwam, daar hij mij toen ik gister de ligting met hem had opgemaakt, die ik hem gezegd had den Gouvr te willen vragen, hij mij niet gezegd had, dat ik mij deswegens aan den Opper Banjoost moest adresseren, hetwelk ik even zo gaarne zou gedaan hebben, en dat hij geen hollandsch genoeg verstond, daar hij anders het door mij gebezigde woord gefopt niet op hem zou toegepast hebben. De opp banjoost gaf te verstaan dat dit een kleine zaak was, maar dat ik bij eene grootere (hij bedoelde de overgaaf van den brief) verkeerd gehandeld had. Ik vergenoegde mij met daarop te antwoorden dat ik zulks niet wist. Hij zegde verder dat mij de ligting zou toegestaan worden, en vertrok.

De Opp Tolk bragt mij het Translaat wegens de Kaarten waarin gezegd wierd dat de Keizer vier Kaarten noodig had, die het Holl. Opperhoofd heeft. moet gij (te weten hij Opph.) die aanbieden enz.ik zegde zul ik even als of ik die niet vrijwillig had aangeboden: Ik begreep dadelijk dat zulks weer een vuilaardige trek der tolken is om het te doen voorkomen als had ik alleen waren mij de kaarten onaangeboden afgevraagd. Ik gaf den Tolk mijne meening daarover te kennen en hij was dadelijk gereed en bood mij aan een veranderd Translaat te bezorgen. Hij stelde mij voor in den brief aan den Gouvr om het overschietende van den Jedosche Verkoop te mogen verkoopen. De verandering te brengen na aftrek van de gevraagde lichting hetwelk ik aannam. –

Hij nam het Translaat terug en bragt mij een ander hetwelk nog nagenoeg dezelfde zin opleverde, doch dat hij aannam nogmaals xxxx xx xxxxx te veranderen. Ik zegde hem echter dat hij het Japansch getrouw moest vertalen en dit bewijst mij hoe weinig zij zich aan de juiste zin bepalen binden en hoe weinig staat op de echtheid hunner translaten te maken is.

'S avonds bezocht ons de Vrijheer van Nakats, met zijn zoon (13 jaren) en twee bijvrouwen met hun dienstmeiden, en bracht mij het tegengeschenk voor den 23 jl 2 jl Z:M: aangebodene een zeer fraai gevaarlijk kabinetje en eene complete Japansche zomerkleeding die Z:M: voor mij had doen maken en mij daarbij de attentie bewezen om mijn wapen er op te doen verven. De Jonge Prins gaf mij tien zeer fraai verlakte eetensbakje, en de bijvrouwen boden mij ook een tegengeschenk voor het aan dezelven vroeger vereerden aan. Ik gaf der laatsten zijden doeken, spelden en ringetjes met steentjes, aan den Jongen Prins een Cachet en horlogie sleutel met steentjes, waartegen hij mij den Santok (brieventasch) aanbood die hij gebruikte. -De Prins soupeerde bij mij ik bood hem een pletx[?] en Kristallen Olie en Azijn zetje aan en twee porseleinen Bloemenvazen. –
Ik zond heden aan den ouden Lhr van Satsuma eene zeer fraaije gebloemde porceleine Lampet Kan en Schotel, en een Suijkerpot, en twee kritallen Kompote – ’S avonds zegde mij de Vrijheer van Nakats, dat zijn vader die wist dat hij mij bezoeken wilde, hem had opgedragen, om mij een reukfleschje met lavendel, dat Z:H: bij mij gezien had te vragen, hetwelk ik hem gaf. – Ook dat de Vorst daar hem door zijn hooge jaren (84 jr) het altijd zitten op de matten moeijelijk viel, mijn leuningstoel wenschte te hebben. Ik zeide dat ik die niet kon missen er slechts een hebbende, doch dat ik hem er gaarne twee met het de Kussens zou zenden. – Ook des Vorstes andere zoon liet mij vragen om eene flesch Bossali, een bierglas, een flacon eau de Cologne , en een stuk zeep en stuurde mij Zijden Stof en een verlakt doosje – ik stuurde hem het verzochte –

maandag 10 mei 2010

10.

De Opp Tolk en de waarn: Scribra berigten mij dat een Lap blaauw Laken aan den Opp.Boos afgegeven, defect was bevonden en Groen Laken in plaats zou gegeven worden.

Ik kreeg heden wederom veel bezoek om mijn vertrekken te zien waaronder dat van de reeds bejaarde vrouw van den eersten Rijksteraad, die mij een geschenk van eenige kleinigheden aanbood en waartegen ik haar een zeer fraai porseleine kopje gaf.

'S avonds kwam de K: Sterrenkundige Takahasi en bragt de avond met mij door. Hij deed mij wederom verscheidene vragen omtrent de laatste oorlog, de namen eenige Europese regenten enz.

Ook omtrent eenige onzer Europesche uitvindingen. Hij klaagde dat de inkt waarmede zijnen kaarten hier gedrukt waren zo bleek was. Ik gaf hem de bestanddeelen op van den Europesche drukinkt en beloofde hem van B[?] nader de evenredigheid daarvan te zullen opgeven. Hij vroeg mij hoe onze plaatdrukpersen ingerigt waren, waarvan ik hem het voornaamste beschreef. Ik liet hem bij gelegenheid dat het gesprek over het porselein handelde, eenige zeer fraaije stukken daarvan zien. Hij bewonderde het als een kenner en ik bood hem het fraaiste rijk verguld en allersierlijkst beschilderde kopje aan, hetwelk hem zeer veel genoegen Scheen te doen. – Ik had hem vroeger eene opheldering doen vragen hoe de Japanezen de uurstelling van den dag bepaalen en hij beschreef mij zulks door eene ophelderende figuur op het papier te teekenen – en beloofde mij eene tabel hoedanig de dag bij de verschillende standen der Zon gerekend wordt te beginnen.

Ik schreef heden de vier volgende brieven aan Den Gouvr, als

1e Om te verzoeken, de overschietende Jedoschen verkoop goederen ter waarde van $ 886,6 openlijk aan de Kooplieden al hier te mogen doen verkoopen, dan wel die naar Dezima terug te brengen om met de aankomende ladingen op komps verkocht te worden. (Kbb No 14)

2e Om van die zelfde goederen voor mij en de beide andere Heeren te mogen lichten ter waarde van $ 287, 51098. (Kbb No 15)

3: Houdende verzoek om daarbij aangehaalde redenen, de 80 Schuiten Zilver door Z:K:M: en xxx kroonprins in tegen geschenk voor het extra geschenk gegeven, in natura naar B: aan H en Mr te mogen overmaken. (Kbb No 16)

4: Daarbij verzoekende om een voorschot van $ 1000 te Ozakka te mogen ontvangen, om op de Kamb rekening vereffend te worden. (Kbb No 17)

Ik zond alle vier die brieven aan Den Opp Tolk ter bezorging aan den Opp Banjoost, doch hij kwam kort daarna met die brieven bij mij, en zegde mij dat de ligting volgens kapittel niet aan den Gouvr maar aan den Opp Banjoost behoorde gedaan verzocht te worden, en om den opp Banjoost niet voorbij te gaan, rigtte ik mijnen brief aan hem en gaf dien, volgens zijn voorstel open aan hem weder, hoezeer ik veronderstel dat dit wederom een list van die Heeren is ter bedekking van hunne slechte oogmerken of handelingen.

Hij kondigde mij ons vertrek aan als op den 16 dr bepaald.

zondag 9 mei 2010

Dingsdag 9.

Wederom verscheiden K: Geneesheren, een heelmeesters en operateurs, waaronder den K: Oogmeester om vragen aan den Dr. (v.S.) te doen.

Later kwamen eenige K: Hof Astronomisten mijne vertreken bezichtigen – na zich met den waarn: Scriba te hebben onderhouden.

Daar ik met den Opp Tolk reeds enige malen gesproken had en mij niet wilden vereenigen met de door hem opgemaakte verdeeling van den Jedoschen Verkoop, omdat hij aan den Hospes boven en zijn vast aandeel ook dat van den vijfden (vacante) Tempelheer wilde geven, en zulks onnoodig oponthoud gaf, vond ik mij genoopt ten einde die zaak af te doen, toe te geven. Ik liet dus dien verkoop afscheuren in presentie van den waarnd Scriba en wilde het volgens gebruik met het klein Komps Cachet doen verzegelen. Dan na onderzoek naar dat Cachet, hetwelk ik vermeende nog onder de waarnemend Scriba te berusten, bevond zich dat den Tolk JaSutsiro, (de zoon van den Onder Tolk) aan wien de Scriba het voor omtrent drie weken ter bezorging aan mij had afgegeven, het al dien tijd onder zich had gehouden en daar mij die terughouding zeer bedenkelijk voorkwam liet ik de afgescheurde en andere Stoffen met mijn eigen cachet bestempelen verzegelen

zaterdag 8 mei 2010

Maandag 8.

Heden kwamen zeven K: Docters onzen Doctor (v Siebold) eenige vragen betrekkelijk hun vak voorstellen en opheldering over eenigen punten verzoeken, ook eenige Sterrekundigen zich over de Wetenschap met den waarnd Scriba onderhouden.

's Avonds kwam de K. Hof Astronomist Takahashi die mij in tegengeschenk voor den kaart van het K.k Holland een Wereldkaart in Japan gedrukt aanbood – Hij verzocht mij hem op eene alhier nagetekende Kaart van dat Koninkrijk aan te wijzen, de vergrooting van hetzelfven Sedert de overwinning van Waterloo, waaraan ik voldeed. Tevens verhaalde ik hem het hoofdzakelijkste van de geschiedenis van ons land enz. Ik begreep datxx hij eenige der voornaamste punten door Zijn’ Secretaris deed aantekenen, dat hij wilde weten of mijn verhaal met dat hem de 22e jl. gedaan, zou overeenkwamen. Dan daar ik hem niets dan waarheid verhaalde, en niets bepaaldelijk opgaf dan wat ik mij juist herinnerde, zal hem of die hem gezonden heeft, alle twijfel zijn benomen, vooral omdat ik mij ook om de gend reden omtrent niets behoefde te bezinnen, maar hem dadelijk en onbevangen alles opgaf. Hij ging van mij naar de kamer van den Doctor.

Later kwam de vrijheer (voormalige Lhr) van Nakats, die eenige tijd om staatkundige reden op het vertrek van den K. Astronomist gewacht had, alzoo deze buitenkant [=officieel] bij mij was, mij bezoeken. De Prins had niet zijn gevolg bij zich, zijnde binnenkants gekomen. Z:H: deed mij een geschenk van twee stukken Zijden Stof en een’ zeer fraaijen aardewerken grooten Kandelaar in den Jap: Smaak die Z:H: inzigtelijk voor mij had doen maken, geliefde hij mij te kennen te geven, in Owari voor mij had doen vervaardigen, waartegen ik den Vorst eene compleet Tafel Servies in het klein van aardewerk aanbood hetwelk hij met veel genoegen onder dankbetuiging aannam.

De Vorst bleef souperen en toen ik verman dat den K: Astronomist nog bij het den Dr. was, liet ik dezelven verzoeken bij ons aan tafel verzoeken, en hij kwam met den Dr. – zeer voldaan Schijnende over de attentie die ik hem had bewezen. Hij vertrok omstreeks 11 uren en de Prins om bij middernacht

Ik gaf heden in bijwezen der K: Docters het meergemeld verzegeld papier voor den Gouvr aan eenen der Tolken over, die het in mijn bijzijn dadelijk aan den Opp. Banjoost behandigde.

vrijdag 7 mei 2010

Zondag 7.

Vijf Docters xxxxxxxxxxxxxxxxxxxx van de eerste Raadsheeren en vijf van Landsheren kwamen ten ten zelfde einde als gister. Ook de Hof Astronomist en Reparatie meester was daarbij. aanwezig.’S Avonds kwam K: Hof Astronomist en onderhield zich eenige tijd met mij, deed mij verscheiden vragen betrekkelijk den afgelopen franschen Oorlog, omtrent Bonaparte en diens famielje, omtrent welk een en ander ik op zijn verzoek hem het voornaamste kortelijk verhaalde. waarin hij mij betuigde veel vermaak te Scheppen mij zeer bedankende en tevens verzoekende op morgen te mogen wederkomen, om nog meer des wegens te vernemen. Hetwelk ik hem zeer beleefdelijk verzocht te willen doen.

Ik gaf heden een brief aan den Gouvr betrekkelijk het op den 1n dezer vermeld verzegeld papier, aan den Hospes ter bezorging aan den Opperbanjoost af. Later kwam de Onder Tolk mij, zoo als hij zegde, uit naam van dien Ambtenaren zeggen, dat ik in het vervolg alles wat ik den Opp. Banjoost wilde doen toekomen door de Tolken moest sturen

donderdag 6 mei 2010

Zaturdag 6.

Vier Doctors van den Landsheer van Kagas en twee van den eerste Raadsheer, kwamen den Doctor eenige vragen voorstellen.

woensdag 5 mei 2010

Vrijdag 5.

Ontving het Translaat wegens het den 2 Dr vermeldde kruidkundig werk.

De Gezanten van de twee Kommissarissen der Vreemdelingen en den Rekenen Gouverneur boden mij namens dezen Ambtn aan, de eerste Zijden Kabaaijen en de andere voor de eerste maal beschonken, drie Schuitjes Zilver aan.

‘S avonds kwam de oude Landsheer van Satsuma met twee zijner zonen en verscheidene bijvrouwen met hare dienstmeiden mij bezoeken. De vorst deed mij eenige geschenken aan, waaronder een allerfraaist verlakt kabinetje. Z: H: deed mij de eer aan bij mij te souperen en bood mij het medicijn doosje aan door hoogst dezelve gebruikt wordende. Ook van deszelfs beide zonen ontving ik eenige kleinigheden ten geschenk en het vorstelijk gezelschap vertrok onder dankbetuigingen voor het onthaal ten 11 Uren. Bij zijn vertrek gaf de Vorst op mijn verzoek mij hoop dat ik nog eenmaal Z: H: bij mij zoude zien.

dinsdag 4 mei 2010

Donderdag 4.

Vertrokken des ochtends uit ons logement. Kwamen in de wacht van 100 man alwaar wij omtrent twee Ure lang vertoefden en dezelfde hooge ambtenaren ontmoetten. Gingen daarna naar het K: Paleis en daarna naar dat van den Kroonprins alwaar ik het afscheids Compliment aflegde. In het eerste ontving ik behalve de 50 Kabaayen tot tegen geschenk voor de gewone Geschenken, nog 80 Schuitjes zilver voor de buitengewone geschenken.

Even gelijk bij de eerste audiënties ontving ik de gelukwenschingen van vele daar zijnde hooge en mindere Ambtenaren, en wij keerden naar onze verblijf terug, alwaar wij omstreeks 4 Ure namiddags aan kwamen – De Opp Tolk zegden mij, dat de Gouvr hem zijne te vredenheid had te kennen gegeven over dat alles bij deze Audientie zoo wel en zonder de minste haperingen was afgeloopen.

Ik vroeg den Opp Tolk of hij dacht dat ik het heden ontvangen Geschenk Zilver in natura aan de h. Regering zou kunnen overmaken. Hij zegde het niet te gelooven dat mijne twee laatste voorgangers die ook Zilveren Schuitjes in Geschenk hadden ontvangen het in waren hadden overgemaakt. Ik zegde hem voornemens te zijn verlof daartoe te vragen, daar ik het als eene tegenstrijdigheid beschouwde dat men mij voor den h: Regering Zilver gaf en niet zou toestaan dat ik het aan dezelve toestond. Hij antwoordde mij dat ik het in alle geval kon vragen.

Kwamen de Hofreis Opp Banjoost en die van den N: Gouvr en vervolgens de Gezanten van de Rijks raden, van de Tempelheeren en van de beide Jedosche Gouverneurs mij gelukwenschen met de Afscheid Audienties enz. De laatste boden mij tevens uit naam van hunner Zenders de gewone tegengeschenken van Zijden Kabaaijen aan.

maandag 3 mei 2010

Woensdag 3.

Bij de twee Gouverneurs van Jedo en Vier Tempelheeren het Compliment afgelegd.

zondag 2 mei 2010

Dingsdag 2.

’S Ochtends kwam de 2e secretaris den hier zijnde N: Gouvr met den Hr: Opperbanjoost en zegde mij op eene bedaarde wijze dat de schrif het verzegeld papier dat ik gister den Gouvr had aangeboden niet kon aangenomen worden, dewijl zulks Streed tegen de gebruiken, als tevoren nooit geschied, maar wanneer ik eenig papier aan den Gouvr wilden doen toekomen of iets verzoeken, ik zulks door tusschenkomst van Den Opp.banjoost moest geschieden.

Hij gaf daarvan het Schriftelijk bevel aan den Opp Tolk, ten einde mij er een translaat van de bezorgen. Ik gaf daarop den brief die mij was teruggegeven aan Den Opp Banjoost over die mij zegde dezelfden dadelijk aan den Gouvr te zullen bezorgen. Doch ik verzocht mijn brief terug te mogen hebben, omdat ik er nog iets bij wilde Schrijven aan welk verzoek voldaan wierd. – Daarna wierd mij van wegen den Gouvr behandigd het 1e deel van een kruidkundig werk met platen met opdracht aan den Doctor om de hollandsche en, zo doenlijk, ook de Jap: namen der daar in afgebeelde planten erbij te schrijven wanneer den Dr. ook de drie overige deelen van dat werk zou krijgen. De secretaris vertrok en ik transmitteerde Schriftelijk [Kbb Nr 20] die opdracht aan den Dr. die mij insgelijks schriftelijk antwoordde daar aan te zullen voldoen met bijvoeging van genees en kruidkundig de aanmerkingen en ophelderingen. – Later kreeg ik het vorengend Translaat.—

Gingen om 12 Ure uit en legden bij de Acht overige RijksRaden ons Compliment af. Om Zes Ure keerden wij naar ons logement terug.

zaterdag 1 mei 2010

Maandag 1. Mei

Vertrokken des ochtends om 6 Ure in Noromoros en met de gewone Staatsie (waaronder de Caijong met lange Stok) vertoefden in de Wacht van 100 man waar de K: Dwarskijker en de Kommissaris der Vreemdelingen (tevens Tempelheer) bij ons kwamen voor welke mij het Complt maakten, en Zij wenschten ons geluk met den behouden aankomst, verkregen Audientie enz., waarna Zij vertrokken. Na omtrent twee Ure verblijfs aldaar gingen wij naar het K: Paleis alwaar na enige tijd kwamen dezelfde ambtenaren die wij ander maal begroetten waartegen zij ons nogmaals geluk wenschten enz. – Ik wierd in de gehoorzaal op den plaats geleid waar het Compliment wordt afgelegd en mij wierd door de Gouvr in bijzijn van de twee anderen gen. hooge Ambtenaren door den Gouverneur, die het mij voordeed, aangewezen hoe die pligtpleging verrigt wordt, en ik keerde naar de Vertoef zaal terug, waar ik met de twee anderen Heeren verbleef tot omtrent half 12 Ure, toen ik gewaarschuwd wierd, dat het tijd ware. Ik ging dus naar de voorgend plaats en had de eer Z: K: M: te begroeten. – Ik keerde dadelijk terug naar de Vertoefzaal en ontving de gelukwenschingen van vele der daarzijnde Hovelingen en andere Ambtenaren. Na ruim drie vierde Uurs kwamen de meergend drie Ambtn die mij gelukwenschten met de hooge eer die ik genoten had. Ik maakte van deze gelegenheid gebruik, om den Gouvr eenen brief aan te bieden, die ik, daar hij hem niet zoo dadelijk aannam, voor hem op den Mat nederlegde. – De Opp Tolk, daarover zeer verschrikt, vroeg mij wat is dat? Ik antwoordde hem zeer bedaard, op den Gouvr duidende wijzende, een brief voor den Heer Gouvr, toen nam deze den brief op en reikte hem aan den achter hem zittende Opp Banjoost toe, die den brief in zijn boezem stak. En den Gouvr en de twee met hem gekomen Ambtenaren keerden terug. Wij begraven ons vervolgens naar het Paleis van den Kroonprins alwaar alles nagenoeg op dezelfde wijze afliep, alleenlijk met dit onderscheid, dat ik het Compliment niet voor den Kroonprins zelven afgelegde, maar voor een der

Rijksraden die in de gehoorzaal zat en Z: K: Hoogheid representeerde.

Daarna gingen wij het Compliment afleggen bij Zeven RijksRaden en kwamen omstreeks Zeven Ure des avond zeer vermoeid in het Logement terug. Kort daarna kwamen de gezanten der beide K:K: der Vreemdelingen mij feliciteren en voor ieder een bord met Visch aanbieden. Na hun vertrek en dat van de mede gekomen Opp Banjoost van de hierzijnde N: Gouvr kwam de Hoftreis Opper Banjoost met de Opper en Onder Tolken Laatst gen Opper Banjoost en veroorloofde zich mij op een ongepaste, zelfs honende wijze zijn ongenoegen te kennen gegeven over dat ik eenen brief eigenhandig aan den Gouvr had overgegeven, en de OnderTolk, die mij zulks zulks vertolkte, scheen zijne uitdrukkingen nog erger te maken. Hij vroeg mij of de Opp. Banjoost mij gisteravond niet had gezegd om zulks niet te doen ik antwoo en waarom ik zulks het gedaan had. Ik zegde dat het mij gezegd was, dat ik echter niet begreep daardoor mis daan te hebben of dat men mij kon beletten eenen brief voor den Gouverneur zelve aan denzelfven te overhandigen, en daartoe redenen te hebben. De Tolk zegde dat het knoeijen was.
Ik vroeg hem of hij dat namens den Opper Banjoost dan wel uit eigen beweging zegde, en dat ik hem vergezocht slechts de gezegdens van denzelven te vertalen zonder er iets bij te voegen. – Hij vroeg mij of ik wel wist op welke plaats ik mij had bevonden toen ik den brief had overgegeven. Ik antwoordden O ja in het Paleis van Z: K: M. waar ik als gezant xxxxx xxxx xxx der h: regering ben gestuurd om den eer te hebben hoogstdezelvens te complimenteren en de gelukwenschen aan te bieden. –Er wierden nog eenige gezegdens over en weder in dien zelfden zin gewisseld. –De Opp Banjoos liet daarna den Dr. en den Scriba bij zich roepen en feliciteren hun met den gelukkigen afloop der Audientie enz.. waarna hij vertrok.

Dit voorval levert een treurig bewijs op van de verregaande Dwingelandij die Japanezen over ons uitoefenen, en aan welke vernederende voorwaarden zij ons hebben onderworpen om hier eenen nadeligen handel te drijven die hoe langer hoe meer zal vervallen indien de zaken op den tegenwoordigen voet blijven voortgaan. Ik had bij dit Gezantschap meer dan eens gelegenheid om te ontwaren dat de Japanezen ons minder beschouwen als afgevaardigden van eene bondgenootschappelijke onafhankelijke natie, dan wel als Gijzelaars die alleen hier zijn tot waarborg van het rigtig ophxxxx voldoen van den opgelegde xxxx Cijns en nogtans hebben zij ons in velen opzigte zeer nodig. Intusschen begreep ik dat gelatenheid bij het onderhavige voorval het verstandigste was, daar er toch niets anders te doen is