zaterdag 5 juni 2010

Maandag 5.

De Opp Banjoost kwam heden twee malen bij mij, alzoo ik verklaard had niet te zullen ter audiëntie gaan ten zij mij toegestaan wierd, om mij in een leuningstoel van mijn Norimoro tot in de audiëntiezaal te laten dragen, omdat ik niet over de losse steenen kon gaan waarmede het voorplein der Jap: huizen van voornamen Ambtenaren gewoonlijk belegd zijn. Dit liet de Opp Banjoost door den Hospes aan de binnenkant onderzoeken, of dat openlijk zou gevraagd kunnen worden. – . – Dan het antwoord niet gunstig zijnde wierd bepaald, dat ik door twee mannen ondersteund, over den plaats zou gaan. Ik gaf echter te kennen, dat zoodra mij zulks te bezwaarlijk zou worden ik naar mijne Norimoro zou teruggaan. Hierover was de Opp. Banjoost in groote verlegenheid. Ik stelde hem echter, daar ik anders geene bijzondere reden van klagen over hem had, gerust door hem te beloven dat ik alles zou doen wat ik vermogt om ter audiëntie te gaan.

vrijdag 4 juni 2010

Zondag 4.

De Opp Banjoost kwam heden voormiddag, er wierd wederom lang gedebatteerd of den Audiëntie morgen zou plaatshebben, dan op mijn voorstel wierd dezelve op overmorgen bepaald. Ik kreeg heden alsmede veel bezoek.

donderdag 3 juni 2010

Zaterdag 3.

Voormiddags kwam den Opp. Banjoost. Hij en de Tolken drongen aan op dat ik mij zou verklaren of ik overmorgen al dan niet ter Audiëntie zou kunnen gaan. Zij sloegen mij voor om alleen de twee andere Heeren in mijne plaats te sturen indien het ongemak aan mijn’ voet mij belette te gaan. Dit laatste weigerde ik echter en na lange woordenwisseling werd bepaald, dat de Opp Banjoost morgen mijne decisie deswegens zou komen vernemen. Den Tolken gaven mij te kennen dat de Opp Banjoost zeer verlegen was daar ons verblijf alhier langer dan gebruikelijk moest plaatshebben.
Namiddags kwamen drie Docters van den Geestelijke (of zoo als den Japanner hem noemen, Erf) Keizer waar onder een die mij aangekondigd wierd als hoger in rang dan de N: Gouverneurs. Zij boden mij eenige geschenken van fraaije Japansche teekeningen enz. aan.
Een dier Heeren bragt eenen schilder van Den Dairi mede die mij eenige teekeningen van zijn werk aanbood en nog eenige schetsen in mijn bijzijn teekende.

woensdag 2 juni 2010

Vrijdag 2.

bezoek van onze kennissen bij de opreis gemaakt en namiddag stuurde mij de Fjoenago Foeziwarano Fajotaeje door een zijner Dienaren een Japansch gedicht en eene tekening op zijde welke eerste hij mij bij den opreis beloofd had met eene zeer beleefden boodschap dat ik maar had te zeggen wat ik verlangde en dat hij het mij zou bezorgen waarvoor ik hem beleefdelijk liet bedanken, hem slechts verzoekende ons een fraaie Eng: gekleurde plaat en een theekopje en schoteltje dat ik hem stuurde tot een aandenken te willen aannemen.

dinsdag 1 juni 2010

Donderdag 1 juni.

Om 10 Uren voormiddags ten Miako. Kreeg heden en

maandag 31 mei 2010

Woensdag 31.

tot Oots, en

zondag 30 mei 2010

Dinsdag 30.

Tot Isibe.

zaterdag 29 mei 2010

Maandag 29.

tot Zeki.

vrijdag 28 mei 2010

Zondag 28.

In den Bark over zee tot Kwana tot Jokats waar ik in den donker mistredende, mijnen Voet zwaar verstuikte.

donderdag 27 mei 2010

Zaterdag 27.

tot Mia.

woensdag 26 mei 2010

Vrijdag 26.

tot Akazakka (zijnde van Maizakka tot Arai met de Lhr bark gereisd)

dinsdag 25 mei 2010

Donderdag 25.

tot Hamamats.

maandag 24 mei 2010

Woensdag 24.

tot Nietsisaka.

zondag 23 mei 2010

Dingsdag 23.

tot Foetjoe.

zaterdag 22 mei 2010

Maandag 22.

tot Kambarra.

vrijdag 21 mei 2010

Zondag 21.

tot Mitsima.

donderdag 20 mei 2010

Zaturdag 20.

Vervolgden onzen reis en kwamen heden tot Odawarra en

woensdag 19 mei 2010

Vrijdag 19.

Om half zeven Ure vertrokken, te Kanagawa eten en te vijf Uren te Foesisawa aangekomen, alwaar den nacht xxxxxxx bleven.

dinsdag 18 mei 2010

Donderdag 18.

waarvan deze ochtend het Translaat ontving.
Na lang wachten kwam den Hreis Opperbanjoost en twee Opp banj: van den hier zijnde Gouvr die mij een schriftelijk bevel van dien Ambtenaar bragten. – om den Kapit bij de terugreis de kapittels goed in acht te nemen en alle ‘S morgens vroeg op reis te gaan. –
Vertrokken voor den middag en vonden te Omori (grootbosch) den oude Lh: van Satsuma, die mij daar verzocht had met den Vrijheer van Nakats en deszelfs andere zoon, den Prins Sakonsama die ons op het minzaanst ontvingen en gelijk ook de beide anderen eenige geschenken aanboden. De eerstgenoemde Prins verzocht mij een’ zeer fraaijen Likieusch roodverlakt etensbak met geëmailleerde bordjes waarin eenige Japansche versnaperingen voorgediend waren, als ook eene groote Kruik Likieusche Arak te behouden. De oude Prins was bijzonder vriendelijk, minzaam en opgeruimd, zoodat hij eigenhandig xxxxxxx ons Zakki inschonk. –
Z:H: sprak enige woorden Hollands zeer duidelijk en verstaanbaar. – Wij namen afscheid van den Vorst en gingen naar Obotoké mai. waar Daar ik namelijk den Vrijheer van Nakats, die een zeer goed Ruiter is, het verlangen had te kennen gegeven om hem te paard te zien, had de Prins de beleefdheid met vijf of zes zijner dienaars ons te paard voorbij te rijden. Z:H: wachtte ons te Obotoké Mai op en onthaalde ons daar in een vertoefhuis, ons tevens eenige aardige Strowerk aldaar gemaakt in geschenk aanbiedende en mij bovendien eene Kas met zeer fraaijen Zakki Bakjes. – Wij namen afscheid van Z:H: en kwamen omstreeks half acht Ure te Kawazakki.

maandag 17 mei 2010

Woensdag 17.

Dr. von Siebold stuurde mij het kruidkundig werk van Waxxxx[?] terug en Schreef mij daarbij enz,

Den brief zie #

# Ik zond het boek aan den Gouvr met den brief . Insuratur Kbb Nº 18.

'S avonds kwam de Opper Banjoost en bepaalde het uur van het vertrek met mij en kort na hem de Gouvr 2e secretaris om mij het antwoord van de Gouvr op mijnen brief do 8[?] dr te geven zijnde dat xxxx xxxxx daarover naar N: [Nagasaki?]zal geschreven en onderzocht worden.

zondag 16 mei 2010

Dingsdag 16.

De oude Lhr van Satsuma liet mij door den Opp Tolk verzoeken om overmorgen in eene rustplaats nabij Z: H: Paleis te vertoeven om mij aldaar te ontmoeten omdat de hooge jaren van den Vorst hem belette verre te gaan, dat en tevens indien het weder het toeliet en het mij niet te moeijelijk viel, om voorbij Z: H: Paleis te voet te gaan. De Opp Tolk zegde mij dat de Vorst voornemens ware mij in de rustplaats op de Jap: wijze te onthalen. – Ik antwoordde dat ik zeer gaarne aan Z:H: verlangen zou voldoen en dat ikzelf den Vorst zou verzoeken niet ver te gaan, dat het mij zeer leed was, dat ik Z:H: in deszelfs Paleis niet vermocht te bezoeken, dat ik anders mij aldaar zou begeven, om de Vorst de moeite van het uitgaan te benemen.—

Later zond mij de Vrijheer van Nakats een tegengeschenk bestaande in eene zeer fraaije teekening om in een Toko te hangen, een verlakt papier Kastje om daarvoor te zetten en een dito Papier doos of Jap: lessenaar en een Inkt koker of doos. –

zaterdag 15 mei 2010

Maandag 15.

De Opp Tolk bragt mij het Translaat van het op gister ontvangen antwoord van den Gouvr. –Ik zond den Opp Banjoost twee Ikjes met Laken waarvan een half Ikje in stede van de twee (Kapittel) stukken Patnam [?] Sitsen en een koebang voor de voering van den Mantel. En aan den 3 Onder Banjoosten 3 Ik: do Laken in stede van den 3 St (Kap:) Tafachelaxxxx

' S avonds kwam de K: Hof sterrenkundige (eigenlijk Boekbewaarder) en deed mij verscheidene vragen omtrent de Duitschen Keizer en enige andere Duitsche Vorsten. –

Ik toonde hem de nieuwe Nederlandsche lengtemaat (El) en deed hem de gronden kennen waarnaar die berekend is, en tevens dat ook de inhouds en zwaarte maten daarmede in verband staan.. –Hij begreep alles zeer wel en hoorde het met genoegen aan (ongelukkig kon de Tolk mij niet volgen). – De Sterrenkundige den Duimstok wenschende te hebben, gaf ik hem dien. – Hij had mij onlangs gevraagd doen vragen of men te Batavia of in Holland een kaart voor hem zou kunnen graveren, en daar ik geantwoord had, dat ik vooraf die kaart wenschte te zien, had hij dien medegebragt en ik was wezenlijk verstomd die te zien, daar ik twijfel of men in Europa wel iets beters zou kunnen maken. Het is de kaart van geheel Japan op eene groote schaal, volmaakt goed getekend met aanwijzing der gronden. – Ik vernam dat omtrent 30 jaren lang op die kaart gewerkt was, er zijn in alle de gedeelten van het land, deskundigen gevonden om de opnemingen te doen, alles op ’S Keizers kosten. – Die onderneming en de uitvoering[?] doen waarlijk de Natie eer aan. – Hij zegde mij aan den Keizer permissie te zullen vragen, om de kaart naar buiten ’s lands te zenden, en het anders binnenkants zou doen. Ik zegde hem dat mijn gouvt zonder twijfel gaaarne behulpzaam zou zijn om die kaart in plaat te doen brengen, hetgeen hem zeer genoeglijk was. – – Hij zegde mij dat de evenredigheid der Japanse mijl was nagenoeg als 28 1/5 tot de onze zeemijl van 15 in de graad. – en gaf mij de bevolking van Jedo op als omtrent 1.300.000 alleen de burgers, doch dat de soldaten, Lhr Dienaren en vreemden nog veel meer bedroegen en dus dat geheel onzeker ware.

vrijdag 14 mei 2010

Zondag 14.

Voormiddags kwam de Opp Tolk en zegde mij dat het verzochte uitstel van vertrek tot den 18 was toegestaan, doch dat dan geen langer uitstel kon toegestaan worden. Later kwam de Opp banjoost en gaf mij hetzelfde namens den Gouvr te kennen. Het scheen alsof hij veronderstelde dat ik nog langer hier zocht te blijven. Ik zegde hem, dat ik wel niet eigenluk ziek, doch door pijnen in de lenden en beenen vreesde onderweg ernstig ziek te zullen worden, en dan liever hier wenschte te zijn, dat ik op aanraden van den Doctor morgen zou medicineren – doch dat indien ik niet erger wierd, ik den 18 zou vertrekken, dat ik echter niet den 16e tot vertrekken bepaald had doch zoo als hij zegde, maar dat mij zulks aangezegd was, zonder mij daarover te raadplegen.

Namiddags, kwam dezelfde Ambtr en bragt mij het weigerend antwoord van den Gouvr op mijne verzoeken bij missieve van den 10n en daarbij mijne twee brieven, Nr 1 en 3, terug. – Het verzoek om $ 1000 voorschot wierd toegestaan.

De oude Lhr (nu Vrijheer) van Satsuma, stuurde mij een tegen geschenk voor het aan den 11e dr gezondene eenen Kas Sasumasche Tabak, een allerfraaist verlakt Toko tafeltje en dito Bloempot, eene Kas papier en een tinne pot met beste Thee. Z: H: liet mij tevens om enige kleinigheden verzoeken.

'S avonds kwam den Vrijheer (Prins) van Nakats bezoeken en souperen met mij. Z:H.: bragt mij tot tegengeschenk voor het aan Z. H. de 11e dr aangebodene een allerfraaist verlakt Tafeltje en van derzelfs Broeder Sakonsama voor het dienzelven dag hem toegezondene een verlakt Baxxxx Kast of doosje

De Prins mij deszelfs verlangen hebben te kennen gegeven een gedrukt xxxxx

LakenTafelkleed te hebben

Ik bood den Prins aan een Karpet Tapijtje: een Ikje do blaauw Kasimier, eene witte Eng. Ionnette [?] Pantalon, een paar nieuwe Zeemlederen handschoenen, een paar nieuwe Zijden en een paar do fijn katoene kousen. – Om middernacht vertrok de Prins mij belovende ons te paard uitgeleide te zullen doen, en mij voor ons vertrek nog eens zullen te bezoeken. De xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx.

donderdag 13 mei 2010

Zaturdag 13.

Mij niet wel bevindende gaf ik den Opp Tolk daarvan kennis met Opdracht een uitstel tot den 18 te vragen.--

Ik comitteerde den waarn Scriba tot het tellen der K: Kabaaijen en het wegen van de Zijden Watten en vervolgens tot het doen inpakken en verzegelen.

Ik stuurde heden het op gister den Gouvr toegedacht geschenk met bijvoeging van een allerfraaijsten porseleinen Kom met deksel, ter bezorging aan den Opp Tolk.

Op verzoek van den ouden Landsheer van Satsuma stuurde ik Z: H: twee vergulde wijnglaasjes, een Vel Marocco leer, twee stukjes goudleer.

woensdag 12 mei 2010

Vrijdag 12.

Mijne Dienaar gister buiten mijn weten den Gouvr een Lap goudstof, dien ik voor hem bestemd had, gebragt hebbende, kreeg ik het heden terug met aanzegging dat een der Tolken het behoorde aan te bieden.

De Opp Tolk bragt mij heden het veranderd Translaat wegens den Landkaarten en de Objectief Glazen van den waarn Scriba, waarvoor [ik een] recu afgaf.

Hij gaf mij kennis dat de ligting was toegestaan. Ik commiteerde den Scriba om die te ontvangen, hetwelk hij verrigtte.

De oude Vorst van Satsuma liet mij vragen, om mij te Sinagawa te ontmoeten. Ik liet den Vorst dringend bidden mij die eer aan te doen.

Had heden wederom veel bezoek, waaronder de vrouw van den Secretaris van eenen Rijksraad, aan wie ik een fraai xxxxx porseleinen Schoteltje en kopje aanbood.

'S avonds kwam de Zoon van de overledene Lhr van Mito, bloedverwant van den Keizer, en meer anderen. Ik stuurde op zijn verzoek aan de Lhr van Inoyamma een kristallen Reukflacon.

dinsdag 11 mei 2010

Donderdag 11.

Heden ochtend omstreeks half zes wilde de eerste kok zich zelven het leven benemen. Hij sneed zich een groote wond in den hals die gelukkig niet doodelijk was. De doctor was er dadelijk bij en verbond hem—ik vernam het eerst een geruime daarna.

Daar het mij uit het gedrag van den Opper Tolk, met den brief over de lichting voorkwam als had hij daar iets mede voor, liet ik hem roepen en zegde hem dat ik nog heden een antwoord van den Opp. banjoost wenschte te hebben dewijl ik anders mij daarover aan den Gouvr zou moeten adresseren omdat ik vreesde dat het te laat zou worden wanneer ik misxxx zou wezen

Hij nam, of scheen dat gezegde zeer euvel op te nemen en ging zich bij den Opp banjoost beklagen, die bij mij kwam en ontevreden scheen, hetwelk mij niet bevreemde, omdat de Tolken alles doen en reeds gedaan hebben om hem tegen mij in te nemen. Dan ik zegde hem, dat het gedrag van den Opp Tolk (deze vertolkte het!) mij Singulier voorkwam, daar hij mij toen ik gister de ligting met hem had opgemaakt, die ik hem gezegd had den Gouvr te willen vragen, hij mij niet gezegd had, dat ik mij deswegens aan den Opper Banjoost moest adresseren, hetwelk ik even zo gaarne zou gedaan hebben, en dat hij geen hollandsch genoeg verstond, daar hij anders het door mij gebezigde woord gefopt niet op hem zou toegepast hebben. De opp banjoost gaf te verstaan dat dit een kleine zaak was, maar dat ik bij eene grootere (hij bedoelde de overgaaf van den brief) verkeerd gehandeld had. Ik vergenoegde mij met daarop te antwoorden dat ik zulks niet wist. Hij zegde verder dat mij de ligting zou toegestaan worden, en vertrok.

De Opp Tolk bragt mij het Translaat wegens de Kaarten waarin gezegd wierd dat de Keizer vier Kaarten noodig had, die het Holl. Opperhoofd heeft. moet gij (te weten hij Opph.) die aanbieden enz.ik zegde zul ik even als of ik die niet vrijwillig had aangeboden: Ik begreep dadelijk dat zulks weer een vuilaardige trek der tolken is om het te doen voorkomen als had ik alleen waren mij de kaarten onaangeboden afgevraagd. Ik gaf den Tolk mijne meening daarover te kennen en hij was dadelijk gereed en bood mij aan een veranderd Translaat te bezorgen. Hij stelde mij voor in den brief aan den Gouvr om het overschietende van den Jedosche Verkoop te mogen verkoopen. De verandering te brengen na aftrek van de gevraagde lichting hetwelk ik aannam. –

Hij nam het Translaat terug en bragt mij een ander hetwelk nog nagenoeg dezelfde zin opleverde, doch dat hij aannam nogmaals xxxx xx xxxxx te veranderen. Ik zegde hem echter dat hij het Japansch getrouw moest vertalen en dit bewijst mij hoe weinig zij zich aan de juiste zin bepalen binden en hoe weinig staat op de echtheid hunner translaten te maken is.

'S avonds bezocht ons de Vrijheer van Nakats, met zijn zoon (13 jaren) en twee bijvrouwen met hun dienstmeiden, en bracht mij het tegengeschenk voor den 23 jl 2 jl Z:M: aangebodene een zeer fraai gevaarlijk kabinetje en eene complete Japansche zomerkleeding die Z:M: voor mij had doen maken en mij daarbij de attentie bewezen om mijn wapen er op te doen verven. De Jonge Prins gaf mij tien zeer fraai verlakte eetensbakje, en de bijvrouwen boden mij ook een tegengeschenk voor het aan dezelven vroeger vereerden aan. Ik gaf der laatsten zijden doeken, spelden en ringetjes met steentjes, aan den Jongen Prins een Cachet en horlogie sleutel met steentjes, waartegen hij mij den Santok (brieventasch) aanbood die hij gebruikte. -De Prins soupeerde bij mij ik bood hem een pletx[?] en Kristallen Olie en Azijn zetje aan en twee porseleinen Bloemenvazen. –
Ik zond heden aan den ouden Lhr van Satsuma eene zeer fraaije gebloemde porceleine Lampet Kan en Schotel, en een Suijkerpot, en twee kritallen Kompote – ’S avonds zegde mij de Vrijheer van Nakats, dat zijn vader die wist dat hij mij bezoeken wilde, hem had opgedragen, om mij een reukfleschje met lavendel, dat Z:H: bij mij gezien had te vragen, hetwelk ik hem gaf. – Ook dat de Vorst daar hem door zijn hooge jaren (84 jr) het altijd zitten op de matten moeijelijk viel, mijn leuningstoel wenschte te hebben. Ik zeide dat ik die niet kon missen er slechts een hebbende, doch dat ik hem er gaarne twee met het de Kussens zou zenden. – Ook des Vorstes andere zoon liet mij vragen om eene flesch Bossali, een bierglas, een flacon eau de Cologne , en een stuk zeep en stuurde mij Zijden Stof en een verlakt doosje – ik stuurde hem het verzochte –

maandag 10 mei 2010

10.

De Opp Tolk en de waarn: Scribra berigten mij dat een Lap blaauw Laken aan den Opp.Boos afgegeven, defect was bevonden en Groen Laken in plaats zou gegeven worden.

Ik kreeg heden wederom veel bezoek om mijn vertrekken te zien waaronder dat van de reeds bejaarde vrouw van den eersten Rijksteraad, die mij een geschenk van eenige kleinigheden aanbood en waartegen ik haar een zeer fraai porseleine kopje gaf.

'S avonds kwam de K: Sterrenkundige Takahasi en bragt de avond met mij door. Hij deed mij wederom verscheidene vragen omtrent de laatste oorlog, de namen eenige Europese regenten enz.

Ook omtrent eenige onzer Europesche uitvindingen. Hij klaagde dat de inkt waarmede zijnen kaarten hier gedrukt waren zo bleek was. Ik gaf hem de bestanddeelen op van den Europesche drukinkt en beloofde hem van B[?] nader de evenredigheid daarvan te zullen opgeven. Hij vroeg mij hoe onze plaatdrukpersen ingerigt waren, waarvan ik hem het voornaamste beschreef. Ik liet hem bij gelegenheid dat het gesprek over het porselein handelde, eenige zeer fraaije stukken daarvan zien. Hij bewonderde het als een kenner en ik bood hem het fraaiste rijk verguld en allersierlijkst beschilderde kopje aan, hetwelk hem zeer veel genoegen Scheen te doen. – Ik had hem vroeger eene opheldering doen vragen hoe de Japanezen de uurstelling van den dag bepaalen en hij beschreef mij zulks door eene ophelderende figuur op het papier te teekenen – en beloofde mij eene tabel hoedanig de dag bij de verschillende standen der Zon gerekend wordt te beginnen.

Ik schreef heden de vier volgende brieven aan Den Gouvr, als

1e Om te verzoeken, de overschietende Jedoschen verkoop goederen ter waarde van $ 886,6 openlijk aan de Kooplieden al hier te mogen doen verkoopen, dan wel die naar Dezima terug te brengen om met de aankomende ladingen op komps verkocht te worden. (Kbb No 14)

2e Om van die zelfde goederen voor mij en de beide andere Heeren te mogen lichten ter waarde van $ 287, 51098. (Kbb No 15)

3: Houdende verzoek om daarbij aangehaalde redenen, de 80 Schuiten Zilver door Z:K:M: en xxx kroonprins in tegen geschenk voor het extra geschenk gegeven, in natura naar B: aan H en Mr te mogen overmaken. (Kbb No 16)

4: Daarbij verzoekende om een voorschot van $ 1000 te Ozakka te mogen ontvangen, om op de Kamb rekening vereffend te worden. (Kbb No 17)

Ik zond alle vier die brieven aan Den Opp Tolk ter bezorging aan den Opp Banjoost, doch hij kwam kort daarna met die brieven bij mij, en zegde mij dat de ligting volgens kapittel niet aan den Gouvr maar aan den Opp Banjoost behoorde gedaan verzocht te worden, en om den opp Banjoost niet voorbij te gaan, rigtte ik mijnen brief aan hem en gaf dien, volgens zijn voorstel open aan hem weder, hoezeer ik veronderstel dat dit wederom een list van die Heeren is ter bedekking van hunne slechte oogmerken of handelingen.

Hij kondigde mij ons vertrek aan als op den 16 dr bepaald.

zondag 9 mei 2010

Dingsdag 9.

Wederom verscheiden K: Geneesheren, een heelmeesters en operateurs, waaronder den K: Oogmeester om vragen aan den Dr. (v.S.) te doen.

Later kwamen eenige K: Hof Astronomisten mijne vertreken bezichtigen – na zich met den waarn: Scriba te hebben onderhouden.

Daar ik met den Opp Tolk reeds enige malen gesproken had en mij niet wilden vereenigen met de door hem opgemaakte verdeeling van den Jedoschen Verkoop, omdat hij aan den Hospes boven en zijn vast aandeel ook dat van den vijfden (vacante) Tempelheer wilde geven, en zulks onnoodig oponthoud gaf, vond ik mij genoopt ten einde die zaak af te doen, toe te geven. Ik liet dus dien verkoop afscheuren in presentie van den waarnd Scriba en wilde het volgens gebruik met het klein Komps Cachet doen verzegelen. Dan na onderzoek naar dat Cachet, hetwelk ik vermeende nog onder de waarnemend Scriba te berusten, bevond zich dat den Tolk JaSutsiro, (de zoon van den Onder Tolk) aan wien de Scriba het voor omtrent drie weken ter bezorging aan mij had afgegeven, het al dien tijd onder zich had gehouden en daar mij die terughouding zeer bedenkelijk voorkwam liet ik de afgescheurde en andere Stoffen met mijn eigen cachet bestempelen verzegelen

zaterdag 8 mei 2010

Maandag 8.

Heden kwamen zeven K: Docters onzen Doctor (v Siebold) eenige vragen betrekkelijk hun vak voorstellen en opheldering over eenigen punten verzoeken, ook eenige Sterrekundigen zich over de Wetenschap met den waarnd Scriba onderhouden.

's Avonds kwam de K. Hof Astronomist Takahashi die mij in tegengeschenk voor den kaart van het K.k Holland een Wereldkaart in Japan gedrukt aanbood – Hij verzocht mij hem op eene alhier nagetekende Kaart van dat Koninkrijk aan te wijzen, de vergrooting van hetzelfven Sedert de overwinning van Waterloo, waaraan ik voldeed. Tevens verhaalde ik hem het hoofdzakelijkste van de geschiedenis van ons land enz. Ik begreep datxx hij eenige der voornaamste punten door Zijn’ Secretaris deed aantekenen, dat hij wilde weten of mijn verhaal met dat hem de 22e jl. gedaan, zou overeenkwamen. Dan daar ik hem niets dan waarheid verhaalde, en niets bepaaldelijk opgaf dan wat ik mij juist herinnerde, zal hem of die hem gezonden heeft, alle twijfel zijn benomen, vooral omdat ik mij ook om de gend reden omtrent niets behoefde te bezinnen, maar hem dadelijk en onbevangen alles opgaf. Hij ging van mij naar de kamer van den Doctor.

Later kwam de vrijheer (voormalige Lhr) van Nakats, die eenige tijd om staatkundige reden op het vertrek van den K. Astronomist gewacht had, alzoo deze buitenkant [=officieel] bij mij was, mij bezoeken. De Prins had niet zijn gevolg bij zich, zijnde binnenkants gekomen. Z:H: deed mij een geschenk van twee stukken Zijden Stof en een’ zeer fraaijen aardewerken grooten Kandelaar in den Jap: Smaak die Z:H: inzigtelijk voor mij had doen maken, geliefde hij mij te kennen te geven, in Owari voor mij had doen vervaardigen, waartegen ik den Vorst eene compleet Tafel Servies in het klein van aardewerk aanbood hetwelk hij met veel genoegen onder dankbetuiging aannam.

De Vorst bleef souperen en toen ik verman dat den K: Astronomist nog bij het den Dr. was, liet ik dezelven verzoeken bij ons aan tafel verzoeken, en hij kwam met den Dr. – zeer voldaan Schijnende over de attentie die ik hem had bewezen. Hij vertrok omstreeks 11 uren en de Prins om bij middernacht

Ik gaf heden in bijwezen der K: Docters het meergemeld verzegeld papier voor den Gouvr aan eenen der Tolken over, die het in mijn bijzijn dadelijk aan den Opp. Banjoost behandigde.

vrijdag 7 mei 2010

Zondag 7.

Vijf Docters xxxxxxxxxxxxxxxxxxxx van de eerste Raadsheeren en vijf van Landsheren kwamen ten ten zelfde einde als gister. Ook de Hof Astronomist en Reparatie meester was daarbij. aanwezig.’S Avonds kwam K: Hof Astronomist en onderhield zich eenige tijd met mij, deed mij verscheiden vragen betrekkelijk den afgelopen franschen Oorlog, omtrent Bonaparte en diens famielje, omtrent welk een en ander ik op zijn verzoek hem het voornaamste kortelijk verhaalde. waarin hij mij betuigde veel vermaak te Scheppen mij zeer bedankende en tevens verzoekende op morgen te mogen wederkomen, om nog meer des wegens te vernemen. Hetwelk ik hem zeer beleefdelijk verzocht te willen doen.

Ik gaf heden een brief aan den Gouvr betrekkelijk het op den 1n dezer vermeld verzegeld papier, aan den Hospes ter bezorging aan den Opperbanjoost af. Later kwam de Onder Tolk mij, zoo als hij zegde, uit naam van dien Ambtenaren zeggen, dat ik in het vervolg alles wat ik den Opp. Banjoost wilde doen toekomen door de Tolken moest sturen

donderdag 6 mei 2010

Zaturdag 6.

Vier Doctors van den Landsheer van Kagas en twee van den eerste Raadsheer, kwamen den Doctor eenige vragen voorstellen.

woensdag 5 mei 2010

Vrijdag 5.

Ontving het Translaat wegens het den 2 Dr vermeldde kruidkundig werk.

De Gezanten van de twee Kommissarissen der Vreemdelingen en den Rekenen Gouverneur boden mij namens dezen Ambtn aan, de eerste Zijden Kabaaijen en de andere voor de eerste maal beschonken, drie Schuitjes Zilver aan.

‘S avonds kwam de oude Landsheer van Satsuma met twee zijner zonen en verscheidene bijvrouwen met hare dienstmeiden mij bezoeken. De vorst deed mij eenige geschenken aan, waaronder een allerfraaist verlakt kabinetje. Z: H: deed mij de eer aan bij mij te souperen en bood mij het medicijn doosje aan door hoogst dezelve gebruikt wordende. Ook van deszelfs beide zonen ontving ik eenige kleinigheden ten geschenk en het vorstelijk gezelschap vertrok onder dankbetuigingen voor het onthaal ten 11 Uren. Bij zijn vertrek gaf de Vorst op mijn verzoek mij hoop dat ik nog eenmaal Z: H: bij mij zoude zien.

dinsdag 4 mei 2010

Donderdag 4.

Vertrokken des ochtends uit ons logement. Kwamen in de wacht van 100 man alwaar wij omtrent twee Ure lang vertoefden en dezelfde hooge ambtenaren ontmoetten. Gingen daarna naar het K: Paleis en daarna naar dat van den Kroonprins alwaar ik het afscheids Compliment aflegde. In het eerste ontving ik behalve de 50 Kabaayen tot tegen geschenk voor de gewone Geschenken, nog 80 Schuitjes zilver voor de buitengewone geschenken.

Even gelijk bij de eerste audiënties ontving ik de gelukwenschingen van vele daar zijnde hooge en mindere Ambtenaren, en wij keerden naar onze verblijf terug, alwaar wij omstreeks 4 Ure namiddags aan kwamen – De Opp Tolk zegden mij, dat de Gouvr hem zijne te vredenheid had te kennen gegeven over dat alles bij deze Audientie zoo wel en zonder de minste haperingen was afgeloopen.

Ik vroeg den Opp Tolk of hij dacht dat ik het heden ontvangen Geschenk Zilver in natura aan de h. Regering zou kunnen overmaken. Hij zegde het niet te gelooven dat mijne twee laatste voorgangers die ook Zilveren Schuitjes in Geschenk hadden ontvangen het in waren hadden overgemaakt. Ik zegde hem voornemens te zijn verlof daartoe te vragen, daar ik het als eene tegenstrijdigheid beschouwde dat men mij voor den h: Regering Zilver gaf en niet zou toestaan dat ik het aan dezelve toestond. Hij antwoordde mij dat ik het in alle geval kon vragen.

Kwamen de Hofreis Opp Banjoost en die van den N: Gouvr en vervolgens de Gezanten van de Rijks raden, van de Tempelheeren en van de beide Jedosche Gouverneurs mij gelukwenschen met de Afscheid Audienties enz. De laatste boden mij tevens uit naam van hunner Zenders de gewone tegengeschenken van Zijden Kabaaijen aan.

maandag 3 mei 2010

Woensdag 3.

Bij de twee Gouverneurs van Jedo en Vier Tempelheeren het Compliment afgelegd.

zondag 2 mei 2010

Dingsdag 2.

’S Ochtends kwam de 2e secretaris den hier zijnde N: Gouvr met den Hr: Opperbanjoost en zegde mij op eene bedaarde wijze dat de schrif het verzegeld papier dat ik gister den Gouvr had aangeboden niet kon aangenomen worden, dewijl zulks Streed tegen de gebruiken, als tevoren nooit geschied, maar wanneer ik eenig papier aan den Gouvr wilden doen toekomen of iets verzoeken, ik zulks door tusschenkomst van Den Opp.banjoost moest geschieden.

Hij gaf daarvan het Schriftelijk bevel aan den Opp Tolk, ten einde mij er een translaat van de bezorgen. Ik gaf daarop den brief die mij was teruggegeven aan Den Opp Banjoost over die mij zegde dezelfden dadelijk aan den Gouvr te zullen bezorgen. Doch ik verzocht mijn brief terug te mogen hebben, omdat ik er nog iets bij wilde Schrijven aan welk verzoek voldaan wierd. – Daarna wierd mij van wegen den Gouvr behandigd het 1e deel van een kruidkundig werk met platen met opdracht aan den Doctor om de hollandsche en, zo doenlijk, ook de Jap: namen der daar in afgebeelde planten erbij te schrijven wanneer den Dr. ook de drie overige deelen van dat werk zou krijgen. De secretaris vertrok en ik transmitteerde Schriftelijk [Kbb Nr 20] die opdracht aan den Dr. die mij insgelijks schriftelijk antwoordde daar aan te zullen voldoen met bijvoeging van genees en kruidkundig de aanmerkingen en ophelderingen. – Later kreeg ik het vorengend Translaat.—

Gingen om 12 Ure uit en legden bij de Acht overige RijksRaden ons Compliment af. Om Zes Ure keerden wij naar ons logement terug.

zaterdag 1 mei 2010

Maandag 1. Mei

Vertrokken des ochtends om 6 Ure in Noromoros en met de gewone Staatsie (waaronder de Caijong met lange Stok) vertoefden in de Wacht van 100 man waar de K: Dwarskijker en de Kommissaris der Vreemdelingen (tevens Tempelheer) bij ons kwamen voor welke mij het Complt maakten, en Zij wenschten ons geluk met den behouden aankomst, verkregen Audientie enz., waarna Zij vertrokken. Na omtrent twee Ure verblijfs aldaar gingen wij naar het K: Paleis alwaar na enige tijd kwamen dezelfde ambtenaren die wij ander maal begroetten waartegen zij ons nogmaals geluk wenschten enz. – Ik wierd in de gehoorzaal op den plaats geleid waar het Compliment wordt afgelegd en mij wierd door de Gouvr in bijzijn van de twee anderen gen. hooge Ambtenaren door den Gouverneur, die het mij voordeed, aangewezen hoe die pligtpleging verrigt wordt, en ik keerde naar de Vertoef zaal terug, waar ik met de twee anderen Heeren verbleef tot omtrent half 12 Ure, toen ik gewaarschuwd wierd, dat het tijd ware. Ik ging dus naar de voorgend plaats en had de eer Z: K: M: te begroeten. – Ik keerde dadelijk terug naar de Vertoefzaal en ontving de gelukwenschingen van vele der daarzijnde Hovelingen en andere Ambtenaren. Na ruim drie vierde Uurs kwamen de meergend drie Ambtn die mij gelukwenschten met de hooge eer die ik genoten had. Ik maakte van deze gelegenheid gebruik, om den Gouvr eenen brief aan te bieden, die ik, daar hij hem niet zoo dadelijk aannam, voor hem op den Mat nederlegde. – De Opp Tolk, daarover zeer verschrikt, vroeg mij wat is dat? Ik antwoordde hem zeer bedaard, op den Gouvr duidende wijzende, een brief voor den Heer Gouvr, toen nam deze den brief op en reikte hem aan den achter hem zittende Opp Banjoost toe, die den brief in zijn boezem stak. En den Gouvr en de twee met hem gekomen Ambtenaren keerden terug. Wij begraven ons vervolgens naar het Paleis van den Kroonprins alwaar alles nagenoeg op dezelfde wijze afliep, alleenlijk met dit onderscheid, dat ik het Compliment niet voor den Kroonprins zelven afgelegde, maar voor een der

Rijksraden die in de gehoorzaal zat en Z: K: Hoogheid representeerde.

Daarna gingen wij het Compliment afleggen bij Zeven RijksRaden en kwamen omstreeks Zeven Ure des avond zeer vermoeid in het Logement terug. Kort daarna kwamen de gezanten der beide K:K: der Vreemdelingen mij feliciteren en voor ieder een bord met Visch aanbieden. Na hun vertrek en dat van de mede gekomen Opp Banjoost van de hierzijnde N: Gouvr kwam de Hoftreis Opper Banjoost met de Opper en Onder Tolken Laatst gen Opper Banjoost en veroorloofde zich mij op een ongepaste, zelfs honende wijze zijn ongenoegen te kennen gegeven over dat ik eenen brief eigenhandig aan den Gouvr had overgegeven, en de OnderTolk, die mij zulks zulks vertolkte, scheen zijne uitdrukkingen nog erger te maken. Hij vroeg mij of de Opp. Banjoost mij gisteravond niet had gezegd om zulks niet te doen ik antwoo en waarom ik zulks het gedaan had. Ik zegde dat het mij gezegd was, dat ik echter niet begreep daardoor mis daan te hebben of dat men mij kon beletten eenen brief voor den Gouverneur zelve aan denzelfven te overhandigen, en daartoe redenen te hebben. De Tolk zegde dat het knoeijen was.
Ik vroeg hem of hij dat namens den Opper Banjoost dan wel uit eigen beweging zegde, en dat ik hem vergezocht slechts de gezegdens van denzelven te vertalen zonder er iets bij te voegen. – Hij vroeg mij of ik wel wist op welke plaats ik mij had bevonden toen ik den brief had overgegeven. Ik antwoordden O ja in het Paleis van Z: K: M. waar ik als gezant xxxxx xxxx xxx der h: regering ben gestuurd om den eer te hebben hoogstdezelvens te complimenteren en de gelukwenschen aan te bieden. –Er wierden nog eenige gezegdens over en weder in dien zelfden zin gewisseld. –De Opp Banjoos liet daarna den Dr. en den Scriba bij zich roepen en feliciteren hun met den gelukkigen afloop der Audientie enz.. waarna hij vertrok.

Dit voorval levert een treurig bewijs op van de verregaande Dwingelandij die Japanezen over ons uitoefenen, en aan welke vernederende voorwaarden zij ons hebben onderworpen om hier eenen nadeligen handel te drijven die hoe langer hoe meer zal vervallen indien de zaken op den tegenwoordigen voet blijven voortgaan. Ik had bij dit Gezantschap meer dan eens gelegenheid om te ontwaren dat de Japanezen ons minder beschouwen als afgevaardigden van eene bondgenootschappelijke onafhankelijke natie, dan wel als Gijzelaars die alleen hier zijn tot waarborg van het rigtig ophxxxx voldoen van den opgelegde xxxx Cijns en nogtans hebben zij ons in velen opzigte zeer nodig. Intusschen begreep ik dat gelatenheid bij het onderhavige voorval het verstandigste was, daar er toch niets anders te doen is

vrijdag 30 april 2010

Zondag 30.

Ik ontving een Schriftelijke communicatie van Dr von Siebold van zijn waarschijnlijk veblijf te Jedo na volbragt gezantschap, hetwelk ik voor notificatie aannam.

De Audiënties morgen zullende plaats hebben, deed ik alles daar toe gereedmaken.

Namiddags wierd mij dezelve door den Onder Tolk officieel aangekondigd. Hij zegde dat de Opp. Banjoost die gewoonlijk die bekendmaking doet, in dienst uit was, doch later bij mij zoude komen.

Daar het intusschen laat was geworden, en ik mij nog niet zeer wel bevond en wenschte vroegtijdig mij ter ruste te begeven om morgen vroegtijdig gereed te kunnen zijn, stuurde ik een mijner Dienaren naar den Onder Tolk (de Opper Tolk almede niet te huis zijnde) om te vragen wanneer de Opp banjoost zou komen en te zeggen dat de zoo den Opp Banjoost ook nog lang mogt uitblijven ik als dan zou verzoeken om verschoont te wezen van hem te ontvangen dewijl ik ongesteld was en naar bed wenschte te gaan, dan de Onder Tolk liet mij zeggen dat de Opp. Banjoost spoedig zou komen en dat het noodig ware hem te ontvangen. – Ook kwam werkelijk kort daarna den Opp. Banjoost, die mij door den Onder Tolk liet zeggen dat de Gouverneur mij liet weten dat indien ik den Gouverneur iets te verzoeken had of een brief over wilde geven, ik mij daartoe aan hem Opp. Banjoost moest wenden, doch daar in het Paleis en in de wacht van 100man de K. Dwarskijker en de Kommissaris der Vreemdelingen tegenwoordig waren wanneer ik mij mondeling of schriftelijk aan den Gouvr adresseeerde zulks groote ongelegenheid zou veroorzaken. Ik begreep dadelijk de bedoeling en daar de tolk een en andermaal dat dezelfde herhaalde en er op aandrong dat ik er op zou antwoorden vergenoegde ik mij te zeggen dat ik het gehoord en verstaan had. – Waarna de Opp. Banjoost vertrok.

donderdag 29 april 2010

Zaturdag 29.

Steeds veel, doch minder aanloop dan tevoren, en hoezeer nog ongesteld, kon ik mij niet onttrekken eenigen voorname personen te ontvangen.

‘S avonds bezocht mij de Prins van Nakats met een kleine gevolg *en onderhield zich enige tijd met mij. Hij bragt mij eenige kleinigheden ten geschenk en vertoonde mij eenige horlogies en aardigheden, door hem meegebragt.

woensdag 28 april 2010

Vrijdag 28.

Alnog veel bezoek even gelijk de vorige dagen, doch welke ik uit hoofde van ongesteldheid en schrijfwerk voor het grootst gedeelte niet ontving.

dinsdag 27 april 2010

Donderdag 27.

De Opp. Tolk zegt mij dat de Audiëntie voor zeker op den 1ste aanstaande was bepaald, omdat op diën dag de Lhr van Kiesjoe Audiëntie zou hebben.

Alnog veel aanloop van Nieuws gierigen, welke veelal door de menigten die te gelijk komen zeer lastig zijn, daar de kamers dikwijls opgepropt met menschen zijn. Doch allen gedragen zich steeds zeer ordentelijk – De Vorst van Satsuma stelde op mijne bede* zijn voorgenomen bezoek uit tot na de Audiëntie.

maandag 26 april 2010

Woensdag 26.

Had heden veel bezoek van Japansche hoogere en lagere Ambtenaren en particulieren, ook van Vrouwen, om mijne woning, meubelen, kleeding enz. te bezigtigen. De K: Landsheerlijke, en andere Docters kwamen even gelijk vorige dagen in onze woning. De meesten bragten geschenken mede van kleinigheden.

zondag 25 april 2010

Dingsdag 25.

Omstreeks half acht Ure had er eene zeer hevige aardbeving plaats die nagenoeg 10 seconden lang duurde. Ik vernam bij die gelegenheid dat er voor eenige dagen drie op eenen dag hebben plaats gehad, waarvan ik echter geenen bemerkt heb doordien den huizen zeer ligt van hout zijnde gebouwd, buiten dat dikwijls schudden.

De Opp Tolk kwam mij aan den buitenkant afvragen of ik de kaarten aan Z. K. M wilde afstaan.Ik herhaalde wat ik vroeger den K. Hof astronomist geantwoord had, dat de kaarten volkomen ter beschikking van Z: K: M: waren en ik het mij het eenen hooge eer en geluk zou achten indien hoogst dezelve die wel gunstig geliefde aan te nemen.

Later kwam den Opp. Tolk mij kennis gegeven, Dat de Keizer de Kaarten zou aannemen. – Ook zegde hij mij binnenkants, vernomen te hebben, dat de Audientie waarschijnlijk den 1e Mei zou plaatshebben, doch dat zulks niet zeker was.

zaterdag 24 april 2010

Maandag 24.

De Opp. tolk op bracht mij een Opgaaf van de verdeeling van de Jedosche Verkoop waarbij aan deze Hospes 3 Ir Laken Schairood doch aan die van de Miako en Ozakka geen Laken van die kleur was bedacht, terwijl alsmede aan denzelven den geheelen verkoop van den vijfden Tempelheer, die naar ik vernam reeds sedert eenigen jaren vacant is, was toegedacht. Hij wilde ook de overschietende Einden van de Stukken Laken ter waarde van $ 880, aan den RekenGouvr (of geld kamer zo het heette) afgegeven tegen denzelfden prijs. Ik verzette mij tegen dat misbruik, doch daar waarschijnlijk het belang van anderen daarin betrokken is, bleef hij volhouden en dit is al weder een van de duizenden misbruiken die de Tolken hebben weten in te voeren.

Namidagsdaags kwamen geheel binnenkants[= onoficieel], de Zoon van de Keizerlijke Dwarskijker, waarbij de Secretaris van dien Ambtenaar hoofdzakelijk paraisfeerde[?]. De Tolken hadden mij verwittigd dat hij behandeld behoordde te worden als een Gouvn Secretaris en alsof ik niet wist dat de Zoon van de K. dwarskijker in zijn gezelschap ware. Bij hem waren nog twee Zoons van ged. Ambtenaar van 11 en 13 jaar.

Ik ontving ze met en behandelde de bezoekers met de meeste onderscheiding, liet Thee, Konfituren en verschillende soorten van Likeuren en fijne spijzen aanbieden. Liet hem alles zien wat in mijne Kamers was. De Secretaris verzocht om een weinig Eau de Cologne op een doek. ik gaf hem een flacon daarvan. En toen hij vervolgens verzocht om wat Konfituren voor zijn Meester te mogen meenemen, liet ik twee potten daarvan halen die ik hem aanbood, waarbij ik een Fles Anisette voegde daar hem die Likeur zeer scheen te bevallen, welke een en ander hij zeer snel opnam. Hij bedankte mij op de beleefste wijze. – Bij het vertrek gaf ik aan de twee jongere Zonen van de K. Dwarskijker ieder een Lapje Goudstof (tot eene Jap. brieventasch) en een kleine toneelkijker.

De secretaris was een zeer wellevend en, zoo het mij toescheen, een knap man. Hij gaf mij herhaalde malen zijne bekommering ter kennis dat hij mij misschien lastig viel en beklaagde dat ik eene vermoeiende reis had afgelegd en dat mijne tegenwoordige afzondering en eenzaamheid xxxxxxxx en vooral het uitstellen der Audiëntie mij verdriet mogt veroorzaken.
Ik beantwoordde die de beleefdheid met te zeggen dat de reis niet in aanmerking bij mij kwam, dat men zich die ligtelijk kon getroosten, wanneer men daarvoor tot de hooge eer en het geluk hoopte te geraken in de tegenwoordigheid van Z: K: M: toegelaten te worden en dat ik het uitstel ter Audiëntie slechts daarom betreurde omdat het veroorzaak was door het ongeluk dat de Keizerlijke famielje had getroffen. – Bij gelegenheid dat hij mijn Staatiekleeding op zijn verzoek zag, welke hij zeer bewonderde – zegde ik hem, dat ik die kleding waarnaar ik twee jaren had moeten wachten, uit Holland ontboden had, alleen om daarmede voor den Keizer te verschijnen en die daarna niet meer zou aantrekken. Dat een en ander Scheen hij met genoegen te hooren. – Hij bleef ruim een Uur tijds bij mij. –

Heden was mij de toeloop van Menschen om mijne woning te zien allerlastigst, daar mijn Kamers zoo vol waren, dat ze elkander verdrongen. Tevergeefs heb ik reeds eenige reizen[?] orde daar in trachten te Stellen en last aan de dienaren gegeven om niemand buiten mijne permissie te laten binnenkomen en daartoe den namiddag bepaald. De toeloop wordt dagelijks meer en lastiger

vrijdag 23 april 2010

Zondag 23.

De Vrijheer van Nakats kwam om 7 Ure des avonds bij mij met twee zijner zonen (een 9 en den ander 13 jaren oud) twee zijner Bijvrouwen en vijf harer dienstmeiden. De prins bood mij een zeer fraai hondje aan en twee Bloemheesters en ook de Jonge Prinsen en de bijvrouwen deden mij geschenken van enige kleinigheden dat ik beantwoordde met aan den Prins vier Sitsen Gordijnen met daartoe behoren de vergulde knoppen, aan den Jonge Prinsen een rarekiekastje en, ieder een lapje goudstof en een kijkertje en aan de Dames en Dienstmeiden zijden gebloemde Doeken, Ringetjes en Spelden met Steentjes enz. De Prins en zijn gezelschap bragten den avond bij ons door en Soupeerden met ons, om middernacht naar vertrok dezelve

donderdag 22 april 2010

Zaterdag 22.

Voormiddags bezochten mij de Keiz. Doctors Katsragawa Hoken (Botanicus) Kone Roan en twee anderen. Beide genoemden benevens de voor Nagazakki gedispiciëerende Reparatie mr Ootska Hatsiro, bleven bij ons eten.

‘S avonds kwam de Keizerlijke Hof Astronomist Takahashi Sakzeimon om de landkaarten ter vertoning aan Z. M. den Keizer af te halen. Hij had namelijk mij voorgisteren door een der Tolken laten vragen of ik mijne Landkaarten van de Vier W. deelen wel zou willen afstaan, dan zou hij Z. K. M. voorstellen om die te kopen en zoo dit niet, zou hij ze voor zich zelven overnemen. Ik liet hem antwoorden dat de Kaarten volkomen tot Z. M. beschikking waren, dat ik hem verzocht dezelve uit mijnen naam Z. M. aan te bieden en dat ik het mij tot eene bijzondere eer en geluk zou rekenen indien hoogstdezelve de kaarten gunstig geliefde aan te nemen, doch dat ik anders niet voornemens was, die te verkopen. – En daar hij mij gister had laten verzoeken om de kaarten Z. M. te mogen vertonen, kwam hij die heden afhalen. Hij bezichtigde die nogmaals en ik nam daaruit aanleiding, om hem op de kaart van het Krijk Holland, aan te wijzen de vermeerdering van grondgebied van dat Krijk door de overwinning van Waterloo. Hij verwonderde zich daarover. Ik verhaalde hem kortelijk dat de 17. Provinciën oudstijds tezamen hadden een land uitmaakten en gezamenlijk tegen den Koning van Spanje waren opgestaan, daar zij zich voornamelijk omdat hij hen omtrent den Godsdienst wilde dwingen. Dat tien dier Provinciën echter zich weder hadden onderworpen en onder Zijne heerschappij waren teruggekomen, doch dat de 7. overige het xxx de Holland, na eenen 84 jarigen oorlog door dien Koning van Spanje ware vrij verklaard en als onafhankelijke staat erkend, en hoe die 17. provinciën na eenige veranderingen van heerschappij ten gevolgen van deze veldslag van Waterloo thans verenigd met bijvoeging van het G: Hertogdom Luxemburg het Koninkrijk Holland uitmaakten. –

Hij deed mij vervolgens verscheidene vragen betrekkelijk de krijgskunst dewijl gaf hij mij te kennen, hij mijne militaire betrekking kende en dat ik gedurende den Oorlog had gediend, en hij liet zich op eene vleijende wijze over mijnen militaire rang uit, hetwelk mij een nieuw bewijs opleverde hoezeer de krijgsstand in Japan ge in aanzien en geëerd is. Hij vroeg mij het een en ander wegens mijne zonen en scheen reeds meer van hen te hebben vernomen, daar hij mij op eene zeer verpligtende wijze zegde mij het geluk te benijden van zulke voortreffelijke kinderen te hebben, hij vroeg mij den naam van mijne derde zoon en teekende dien op als ook dat Z. M.. de Koning hem ter belooning van zijn loffelijk gedrag bij de over winning van Palembang tot Ridder der militaire W: orde had benoemd. Het kwam mij voor als of hij nog Hij vroeg mij ook zeer omstandig of men in Europa in het gevecht ook even gelijk de Japanezen schilden gebruikten, of die tegen de kogels bestand waren, welke soort van groot geschut en welke andere wapens wij gebruikten, of ik ook werken over de artillerie had en diergelijke vragen meer, die het mij voorkwamen dat hij op hogere last deed. Ik beantwoordde die alle omstandig en zegde dat ik thans geen den militaire werken meer bezat, hebbende die alle aan mijne zonen gegeven, doch dat zoo hij mij geliefde op te geven welke soort van boeken hij verlangde ik hem die zou bezorgen. Dat wij in Holland voortreffelijke werken over alle de bijzondere deelen van der Krijgskunde hadden en die voor hem zou ontbieden. Hij verzocht mij hem heen werken over de Artillerie te bezorgen hetgeen ik hem beloofde te zullen doen. Hij had mij de eerste maal dat hij bij mij kwam eene wereldkaart (Plani Sphere)

laten zien naar een Europese in Japan in het koper gegraveerd, met de namen in Japansche karakters die mij goed was in[?] gevallen en bewijst de vorderingen bewijst dien den Japanezen in de Europese kunsten en wetenschappen maken. Hij had de kaart onder zijn toezigt doen vervaardigen en zegde mij voornemens te zijn om uit mijn kaarten Japansche kaarten samen te stellen. Ik sprak hem van den Atlas van Malthe Brun, die hem zeer nuttig zou kunnen wezen tot zijn voornemen, en beloofde hem een zodanige Atlas te zullen bezorgen, waartoe hij mij ook verzocht. Toen ik de Kaarten van den Werelddeelen, die in mijne kamer tegen den muur hingen liet afnemen, vroeg hij mij of de Kaart van het Krijk Holland er niet bij behoorde. Ik antwoordde neen, doch dat zoo hem die aangenaam mogt wezen, ik hem die als een Geschenk voor hem zelven zou aanbieden en Steldde ze hem ter hand. Hij bedankte mij zeer en verzocht mij achterop dezelve mijne naam te stellen en dat het hem tot een aandenken was vereerd. Waaraan ik voldeed – Waarnaar hij vertrok.

woensdag 21 april 2010

Vrijdag 21.

Heden niets van eenig belang. Steeds veel aanloop om mijne kamers te zien enz.--onder anderen vier vrouwen van de Nagazakkische Gouverneurs met hunne Kinderen famieljes, Dienstmeiden enz. – aan welke ik eenige kleine snuisterijen in geschenk aanbood en op likeur en Konfituur de onthaaldde.

dinsdag 20 april 2010

Donderdag 20.

Voormiddags kwam de opp. Tolk en wr Scriba mij verwittigen dat beide de Stolpen te kort waren voor de Lampen. De eerste zegde mij dat nu mijn brief daarover (zie 16e) geheel abuis ware, ik begreep dadelijk dat zij gaarne gezien hadden dat ik mijn’ brief terug vroeg die zij naar alle vermoedens nog onder zich hebben gehouden. – Ik begaf mij naar het pakhuis en zag dat de glazen bol en het lange glas op de lampen waren geplaatst, welke ik deed afnemen, en toen bevonden zich de stolpen hoog genoeg. Ik nam aanleiding daarin om den Tolken te doen opmerken dat mijn brief zeer goed was, dewijl het nu bleek dat de Stolpen alleen geschikt waren, om de lampen te dekken, wanneer men die niet gebruikte, daar buitendien wanneer men al eens de stolp op de lampen zetten wilden terwijl die brand, de vlam zou uitgaan dan wel de Stolp breken. – De tolken schenen geheel verslagen en verlegen, daar wederom een hunner slechte streken mislukt is, en zijn mij gaarne de stolpen hadden doen terughouden Zoo als zij mij mij vroeger schriftelijk aangeraden hebben. Ik geloof dat zij nu zeer in verlegenheid zijn gebragt.

Namiddags omstreeks half vijf ure kwam de opp. Tolk mij berigten dat de Audiëntie tot na de 20e Japansch (26 dr) was uitgesteld.

’s avonds om acht Uren hadden wij eenen zéer sterke aardbeving. De schudding duurde eenige Seconden.

Alle dezer dagen zeer vele mensen om mijnen Kamers te bezigtigen

's avonds eenige K. Docters mij bezoeken.

maandag 19 april 2010

Woensdag 19.

De Opper Tolk verzocht mij namens den Gouvr om twee lange pijpen, die ik hem deed geven en een Tapijt dat ik echter niet heb. ‘s avonds kwam de Vrijheer van Nakats, en soupeerde bij mij met den keizerlijke Docters Botanicus en Kone Roan

zondag 18 april 2010

Dinsdag 18.

De Reparatie meester kwam 's namiddags mij bezoeken.

‘s avonds kwam (binnenkant) Takahashi Sakzeimon, Hof Astrologist, mij bezoeken. Hij bezigtigde mijne Landkaarten van den Vier Werelddeelen en die van het K rijk Holland, den chronometer en onderhield zich met den Doctor. [Von Sibold] over de observatiën enzovoort. – Hij soupeerde vervolgens bij mij met den keizerlijke Doctors Botanicus en Gentak den Zoon enz.

Men dacht heden dat de Audiëntie zal uitgesteld worden.

Kreeg heden geschenken van de Dames van den ouden Landsheer van Satsuma en daaronder van den oude Minnen der Keizerin enige kleinigheden die mij gezegd wierden haar van die vorstin geschonken te zijn.

zaterdag 17 april 2010

Maandag 17.

Kwam de Opp. Tolk mij berichten dat de gGeschenken aan het Paleis bezorgd waren door de Opp. Banjoos.

Namiddags wierd mij verhaald dat de tijding (aan den binnenkant) was gekomen van het overlijden van den eenen 14 jarigen Zoon van den Keizer. Zulks zal waarschijnlijk de audiëntie doen uitstellen.

vrijdag 16 april 2010

Zondag 16.

Het meten en Sorteren der geschenk stoffen geëindigd zijnde, ging ik in het geschenk pakhuis die bezichtigen.

Ten einde alle misduidingen voor te komen omtrent de glazen Stolpen en het niet opgeven derzelven tegelijk met de lampen daar die Stolpen naar den Gouverneur ter bezigtiging moesten gezonden worden, Schreef ik daarover deze brief aan de gouverneur Takahasi Zekirene[?] enz.

Inseratuur Glazen Stolpen Kbb No 13

Ik gaf die aan den Opper Tolk ter indiening af. Die na lezing hem had goedgevonden doch kort daarna kwam hij en den Onder Tolk bij mij. Zij wilden mij doen begrijpen dat die brief zoo niet kon ingediend worden, omdat de Gouvr zeer verlegen zou wezen met de door mij opgegeven redenen in den brief aan het hof voor te dragen, daar het nu scheen als of de Lampen defect waren. Ik wederlegde zulks en bleef volhouden in het verlangen dat die brief ingediend wierd, – waaraan zij mij eindelijk zegden te zullen voldoen en zijn namen dien mede. – Later kwam de onderTolk mij zeggen dat de brief bezorgd was, en dat de Gouverneur mij nader daarop zou antwoorden. De Stolpen zegde hij waren van den Gouvr teruggestuurd omdat hij die niet onder zich wilde houden als te breekbaar zijnde.

donderdag 15 april 2010

Zaterdag 15.

Ik ontving heden het Translaat waarbij toegestaan wordt het jaarlijksch Geschenk van zestig Teilen aan den Reken Gouverneur den 7e Sept. 1825 verzocht om voor te komen dat de Tolken

Een Dienaar van de Landsheer van Matomai vroeg belet en deed mij eenige vragen betrekkelijk de paarden en de RijdSchool, als hoe men in Europa de paarden voedt, of er middelen bestaan om wanneer een paard zeer vermoeid is, hetzelve nieuwe krachten bij te zetten, hoevele dagen achter elkander een paard kan loopen, welk Soort van paarden wij in Holland hebben enz. Ook wegens de Valkenjags alle welke vragen ik zo0 goed doenlijk beantwoorde. Ik gaf hem op zijn verzoek een paar reeds gebruikte Zeemleere handschoenen gaf waarvoor hij mij zeer bedankte.

Omstreeks Zeven Uren des avonds kwam de oude Landsheer van Satsuma met drie zijner zonen (den gewezene Landsheeren van Nakatz en van Koesmai en een jongere zoon oud omstreeks 13 jaren) een kleinzoon wiens vader de tegenwoordige Landsheer van Satsuma is), en zes vrouwen, waaronder twee Bijvrouwen van den ouden Landsheer en eenen van de genoemde landsheer van Koesmai. Eene der twee erstgenoemde was Ofkinokata, den moeder der tegenwoordige keizerin. xxxxx vrouw des keizers. Aan mij en de beide anderen Heeren, wierden in tegenwoordigheid en uit naam van den ouden Landsheer en zijne twee zoons met vele Staatsies enige geschenken aangeboden terwijl eerstgenoemde ons buitendien enige kleinigheden eigenhandig aan bood. – Daar ik, toen de prins van daar Katz voor eergisteren bij mij kwam, denzelven ene dubbelde Lorgnet (of bril) had aangeboden, verzocht de oude Landsheer mij om een bril, dien ik hem aan bood, – Waarna ook de zo even genoemde moeder der keizerin mij een dergelijk verzoek deed, waaraan ik dadelijk voldeed.

De oude Landsheer en zijn gezelschap bezagen alles onze woning, die wij enigszins naar den Europese wijze hadden ingerigt, Klederen, Meubelen enz. [Ze] hoorden vervolgens den Doctor Klavier spelen, bezigtigden zijne sterrenkundige en overige instrumenten, boeken enz. – Ik had op verlangen van den Ouden Vorst de Tafel doen dekken en liet het eten opbrengen, de xxxx Vorsten, de Vier andere Prinsen zetten zich met ons aan tafel en soupeerden. Ik merkte bij deze gelegenheid dat onze Tafel gebruiken, en ook onze Spijzen den Prinsen wel bevielen. Zij trachtten zelfs daarbij onze manieren aan te nemen.

De vorst had het verlangen geuit om van Dr. v Siebold het opzetten van vogelen te leeren en had tot dat einde een’ dooden vogel meegebragt. Na de tafel wierd door den Dr aan zijn verlangen voldaan.

De Dames bleven altijd bij het overige gezelschap. Zij waren zeer vriendelijk wellevend en in het minst niet terughoudend. Zij zaten wel niet met ons aan tafel, daar de gebruiken alhier dit niet gedogen, doch zij gebruikten het een en ander van het Souper.—

Om Middernacht vertrok de Vorst en zijn Gezelschap hun dank betuigende voor het genoten onthaal en de Dames gaven te kennen, dat zij gaarne nog eens het bezoek wenschten te mogen herhalen.

woensdag 14 april 2010

Vrijdag 14.

De Opper Tolk berigtte mij dat hij belast was, mij namens den Goevr aan te zeggen, dat daar het gewoonlijk te laat wierd, wanneer het Opp.hoofd op eenen dag bij alle den Rijks Raatsh Regters rondging, bepaald ware, dat dit maal bepaald was dat het Compliment bij den Raadsheeren in twee achtereenvolgende dagen zal worden afgelegd.

Daar ik vergeefs om eenige geschikte werklieden gevraagd heb, en mij niet dan zeer ongeschikte waren toegezonden, die door den Hospes moeten bezocht worden, hetwelk bij alle de op alle plaatsen waar wij gelogeerd hebben een verregaande in het oog loopend misbruik is, door de Hospesen in het werk stellen, om een voordeel te vinden op de goederen dien wij koopen of doen vervaardigen en hetgeen oorzaak is dat wij alles veel duurder moeten betalen, en het dan nog soms zeer slecht is, Schreef ik den Onder Banjoost deze brief.

Inseratur Kbb: N° 12

Eenigen tijd nadat ik dien verzonden had, kwam de ambtenaar bij mij en na eene onderhandeling waarbij den Hospes wierd geroepen, bepaalde de Opper Banjoost dat ik wanneer ik geen genoeg mogt nemen met den werklieden die mij de Hospes bezorgt, ik andere zou kunnen doen roepen mits den Hospes daarvan te verwittigen wanneer er een onderbanjoost bij zal tegenwoordig wezen, hetwelk voor de werklieden van den Hospes door den Opp. Banjoost wordt verschoond. – Daar echter de Hospes die een slecht en doortrapt voorkomen heeft, zijn zaak zelf de bij den Opp banjoost kan bepleiten en ik mij van een Tolk moet bedienen, die het steeds met hunne Landslieden tegen ons eens zijn, zie ik wel in dat ik daardoor weinig gemak zal hebben. — Intussen spijt het mij, dat ik bij de h: Regering geïntercedeerd heb, om deze Hospes Vijftig Knasters Suiker te mogen geven die tot gemoedkoming van het verlies van zijn huis door den brand, daar hij zulks slecht xxxxxx en dus niet verdiend. Daarom rade ik ook mijnen opvolgers zeer af om immer diergelijke giften aan den Regering voor te dragen ten zij dan als belooning van goed gedrag der Hospezen en dan eerst na volbrachten Hreis om niet altijd den dupe te wezen van de Speculaties dier Menschen en der Tolken die steeds zamen heulen.

Namiddags wierd ik door den Opperbanjoos bezocht zijnde een der genen die in het paleis alles regelt en bezorgt ten aanzien onzer Geschenken.

Voorts kwamen drie Docters van de Landsheer van Satzuma mij uit deszelfs naam complimenteren en bedankten mij nogmaals voor het op gisteren gestuurde gebak. Tevens kondigden zij mij tegen morgenavond het bezoek aan en vragen belet voor dien Landsheer en zijne bijvrouwen. Ik antwoordde dat mij zijn bezoek even vererend als aangenaam zou wezen, dat ik echter bij voorraad verschooning bad, omdat ik niet behoorlijk was ingerigt om hem behoorlijk te ontvangen, daar de verre reis die ik afgelegd had, mij niet toegelaten had, vele meubelen enz. mede te nemen, dat ik echter alles zou aanwenden om hem wel te ontvangen.

Ook een Dienaar van een Bloedverwant des Keizers Simizoe Skibikio die mij een Waaijer van denzelven welke bij den Keizerlijke Dans gebruikt worden, aanbood.

dinsdag 13 april 2010

Donderdag 13.

Omdat ik gister den Landsheer van Satsuma een Taart van gestoofde drooge holl. Appelen en peren gestuurd had, zond mij Z. H. heden ook middag een’ gesouten Kraanvogel en Jap. gebak en banket tot tegengeschenk.Ook ontving ik heden een geschenk van den Landsheer van Inoejamma (Wilhelmus) met zijne Complimenten.

maandag 12 april 2010

Woensdag 12

De zoo even gen. Landsheer Stuurde mij en ook aan de beide overige Heeren ieder een zeer fraai geschenk van levende vogels, visschen, eenige Stukken Stof, vijf dwergboompjes in potten

Een reparatiemr kwam mij bezoeken.

‘s avonds kwam de Prins van Stat Nakats, onverwacht mij een bezoek geven en bedanken voor de goede receptie van gister, onderhield zich eenige tijd met mij, bood mij een geschenk van Jap. Prenten aan, en nam afscheid van mij en bezocht bij het uitgaan den Doctor en den wr Scriba daar hij eerstgend hoorde Klavier spelen.

zondag 11 april 2010

Dingedag 11.

Kwam een reparatiemr mij geluk wenschen met volbrengen reis. Voorts twee gezanten der Nagazakkische gouverneurs Kommissaris van vreemdelingen om dezelfde reden.

‘S avonds omstreeks half acht Ure kwam de Prins van Nakats met een klein gevolg (aan den binnenkant) ons bezoeken. Hij gaf zijn genoegen te kennen over de inrigting onzer woning die hoezeer gebrekkig, enigszins in den Europeschen Smaak was gemeubileerd. Hij verzocht eenige onzer medegebragte goederen te zien waarvan de meeste hem zeer Schenen te bevallen --Hij hoorde den Doctor [Von Siebold] Klavier Spelen en bezichtigde deszelfs Sterrenkundige en natuurkundigen instrumenten en daar de Prins zijn verlangen te kennen gaf, om hollandsche Spijs te eten en de tafel wijze te zien hoe wij aan de tafel eten, liet ik de Tafel dekken en zoo Sierlijk inrigten als de omstandigheden toelieten. Ik verzocht den Prins mij de eer aan te doen met ons te souperen, hetgeen hij aannam. ij zette zich met ons aan de tafel, en at van een en andere Spijzen welke hem zeer Schenen te bevallen. Hij vertrok om elf Ure zeer voldaan met het onthaal; mij zijn dank betuigende voor de goede receptie tevens verzoekende dat twee zijner Bijvrouwen onze woning mogten komen bezigtigen. Ik antwoordde hem, dat het mij bijzonder aangenaam zou wezen die Dames te mogen ontvangen en alle die beleefdheden te betoonen die de omstandigheden mij zouden vergunnen.

Ook is mij heden hoop gegeven dat de oude Landsheer van Satzuma ons in het kort met een bezoek zal vereren.

woensdag 7 april 2010

Vrijdag 7.

Trokken bij zeer goed weder en warmte het Hakonische gebergte over en kwamen tot Odawara, alwaar overnachtten.

dinsdag 6 april 2010

Donderdag 6.

Gingen met vaartuigen de Foesigawa [Fujigawa] over en Sliepen te Noemarae [Numatsu].

maandag 5 april 2010

Woensdag 5.

wachtte men eerst dien tijding af waardoor wij te laat over trokken om verder dan Kambara [Kanbara] te komen, alwaar wij den nacht bleven.

zondag 4 april 2010

Dinsdag 4.

Bleven te Okits [Okitsu] omdat men ons zegde dat de herbergen te Kambarra door de Nagamats (Bagage) van den Landsheer van Kiesjae en eene Bijvrouw van den Landsheer van Satzuma bezet waren die aldaar moesten vertoeven omdat de Foezigawa door den gister en dezen nacht gevallen regen niet over te varen was. – Dan daar ik de opgegeven reden van ons vertoeven alhier als eenen uitvlucht der Tolken beschouwde om onze reis te vertragen, Schreef ik ’S avonds aan den Opp Banjoost om hem voor te stellen, dat het, ten einde geen tijd te verspillen, mij raadzamer toe scheen, morgen ochtend vroegtijdig naar Kambara te gaan om aldaar het oogenblik af te wachten. – Eenigen tijd nadat ik dien brief had geschreven, kreeg ik een mondeling antwoord, dat de Opp Banjoost ook van dat gevoelens was, en wij den volgenden ochtend zouden vertrekken. Intusschen. –

zaterdag 3 april 2010

Maandag 3.

Overnachten tot Foetjoe [Fuchu].

vrijdag 2 april 2010

Zondag 2.

Trokken de Ooijegawa [Oigawa] over en sliepen te Foezijeda [Fujieda], voorts

donderdag 1 april 2010

Zaturdag 1. April

Te Kakigawa [Kakegawa].

woensdag 31 maart 2010

Vrijdag 31.

Te Hamamats [Hamamatsu].

dinsdag 30 maart 2010

Donderdag 30.

Te Jozida[ Yoshida].

maandag 29 maart 2010

Woensdag 29.

... Tot Fsiloe [Chiryu].

zondag 28 maart 2010

Dingsdag 28.

en voormiddags te Kwana [Kuwana] alwaar 'S middags aten.— Den Opp Tolk vroeg mij of ik verkoos overzee regtstreeks naar Mia [Miya], dan wel de rivier op, tot Sajas van daar te land naar voorgen. plaats te gaan. Ik verkoos het eerste, dewijl mij gezegd wierd, dat wind en weder gunstige waren. Intusschen wierden achter onze herberg de vaartuigen gereedgemaakt, kwasie om zoodanig te reizen, dan het bleek weldra dat de Tolken reeds vooraf het anders bepaald hadden, want het hete kort daarna dat de wind te sterk was en het gevaarlijk zou wezen over Zee te gaan, en zij stuurden mij de Schrijver, en Trein en Koeliemr die mij kwamen verzoeken zoodanige gevaarlijken Zeetocht niet te ondernemen, dat ik, vrezende dat het te laat zou worden om heden verder te komen indien ik bij mijn voornemen blijven wilde, en daar ook de gereedgemaakte Vaartuigen niet geschikt waren om Zee te bevaren., vond ik mij genoodzaakt daarvan af te zien en wij vertrokken met die vaartuigen die ons te Saja bragten alwaar overnachten. – Wij kwamen...

zaterdag 27 maart 2010

Maandag 27.

Te Jokaïts [Yokkaichi]

vrijdag 26 maart 2010

Zondag 26.

...te FjoetiSamma [Tsichiyama].

donderdag 25 maart 2010

Zaturdag 25.

Namidd: vertrokken en Sliepen te Koezats [Kustsu], en zetten onze reis voort en kwamen...

woensdag 24 maart 2010

Vrijdag 24.

Den Opp Tolk kwam om mij den pas van den Groot Regter te vertoonen, waarvan hij mij op mijn verlangen een Kopij bezorgde.

Namiddags kwam de Opp Banjoost, bedankte mij voor de attentie, dat ik hem gedurende zijne ongesteldheid alhier dagelijks Bouillon en holl. gedroogde kruidten had gestuurd. Ook betuigde hij mij zijnen dank voor het geschenk van het Horlogie, waaromtr hij aanmerkte, dat te voren Slechts een horlogie zonder de repetitie was gegeven. – Hij sprak met mij af omtrent de reis.

En daar ik reden heb om te veronderstellen dat de Lijst der Kapittels welke het onderwerp van den onderstaanden Brief uitmaken niet juist is, adresseerde ik mij aan den Opp Banjoost daarover en gaf hem deze brief over.

Inseratur [Kbb No 11]

Hij zegde mij daarover met den Opp Tolk te zullen Spreken en vertrok.--

dinsdag 23 maart 2010

Donderdag 23.

Ik stuurde heden den Opp: Banjoost het Kapittel Horlogie (zijnde een Zeer fraai goud horlogie) buiten Kapitt: repetitie met Ketting Sleutel en Cachet alsook aan den Ond. Banjoosten (in stede van den Kapitt: mantel) elk een gouden Kobang. –

-Verder betaalde ik aan de dragers, de Kabaaijen, broeken, hoeden, en doeken. Enige voorname Dienaars van den Dairi met Complt Mantels alsmede eene vrouw van een’ voorname zogen. Soldaat van denzelve met hare Dochter kwamen mij bezoeken, aan welke ik alle voorwerpen vertoonde die ik bij mij had, en tot ons gebruik dienen en voor hun nieuw en daarom zeldzaam zijn: Alle gingen zeer vergenoegt en met dankbetuigingen heen; en mij wierd voor de terugreis het bezoek aangezegd van Madenokozi Dainagons die, aan den binnenkant, met zijn de vrouw bij mij zal komen.

maandag 22 maart 2010

Woensdag 22.

Steeds vele bezoeken gehad, namiddags kwam de Doctor van gisteren, die na mij zulks te hebben verzocht, zijnen Vader meebragt genaamd Jamawaki Gentsi, Keizerlijke Docter, dien ik een en andere aardigheden liet zien, die ik bij mij had. En beiden Schreven een Jap: gedicht voor mij, waarna zij vertrokken mij veelmaals bedankende voor het genoten onthaal.

Onze reis wordt, uit hoofde des vertreks van de vroeger vermelde Gezanten verschoven tot op den 25 dr.

zondag 21 maart 2010

Dingsdag 21.

Ook heden veel bezoek almede van een Doctor des Dairis ontvangen.

zaterdag 20 maart 2010

Maandag 20.

Stuurde gend Heer mij met andermalige dankbetuigingen een tinnen Vaas of pot om bloemruikers in te zetten, en liet mij om een of twee der bij mij bezigtigde platen verzoeken, welke ik hem stuurde met eenige Stukjes goud Stof.

– Uit hoofde van het vertrek van hier op den 24 en 25ste dezer van den Gezanten van den Dairi aan den Wereldlijken Keizer, dat volgens zeggen der Tolken ons zou verpligten onder weg een of meer Dagen Stil te liggen, is ons vertrek van hier uitgesteld en op den 24e dr bepaald. Ontving al nog vele bezoeken, ook dat van een voornaam Doctor van den Dairi

vrijdag 19 maart 2010

Zondag 19.

Kreeg veel bezoek, meeste Doctors, daaronder een Doctor van de Dairi of geestelijken Keizer. Ook na vooraf gevraagd belet kwam even na middag de Fioenagon (een rang boven dien van Landsheer) Foezewarano TojoSoeje met deszelfs zoon. Hij kwam geheel incognito onder de naam van Doctor en met een zeer kleine gevolg. Hij was een man van omstreeks 45 jaren zeer wellevend en vriendelijk. Ik liet hem onze Tafelgereedschap, Zilverwerk, kleding, Horlogiën, en eenige platen zien. Aan alles scheen hij veel genoegen te nemen, daar alles nieuw voor hem was. Hij bleef langer dan anderhalf uur en vertrok zeer voldaan zoo het scheen, mij zeer bedankende voor het genoten onthaal van Likeur, Konfituren, vruchten op Brandewijn enz.

donderdag 18 maart 2010

Zaterdag 18.

...dien Ambtr mij 's ochtendsvroeg, nogmaals Zijn Compliment liet aanbieden.

Vertrokken om Acht Uren 'S ochtends en kwamen om half twaalf in het Logement te Miako zijnde al dien tijd omtrent drie Japanse Mijlen door eene onafgebrokene Straat van dicht aan elkander staande (meest alle winkels) huizen en Tempels getrokken. –

De Bark waarmede onze Goederen van Ozakka naar hier waren vertrokken, kwam eerst om half vier Ure aan en daar die de rivier op moest varen, zoude ik voor het vervolg die wijze van vervoer afraden, dewijl men gevaar loopt om lange naar de Goederen te moeten wachten.

Ik had gister avond den Opp. Tolk opgedragen, om volgens gebruik mijn complt den Opp Regter en den Gouvr aan te bieden. – Hij was heden ochtend vooruit gegaan en kwam om half een, mij berigt brengen dat de gez. Ambtn mij weerkeerig lieten groeten en verkozen hadden de Geschenken bij terug komst te ontvangen.

woensdag 17 maart 2010

Vrijdag 17.

Vertrokken 'S ochtends omstreeks half negen Ure en kwamen ten negen Ure ‘S avond in Foezimi [Fushimi].—Een uur later wierd ik namens den Gouverneur der plaats met de aankomst verwelkomt, terwijl...

dinsdag 16 maart 2010

Donderdag 16.

Ontving alnog bezoeken van eenigen inwoonders van Ozakka [Osaka] en wierd alles tot het vertrek op morgen gereed gemaakt.

maandag 15 maart 2010

Woensdag 15.

Om twee Ure namiddags kwamen de gisteren aangekondigde rekenmeester, een bediende der Geldkaner, den Hofr: Opp Banjoost en eenige anderen Ambtenaren, welke ik op de gebruikelijke wijze onthaalde.

'S avonds kreeg alnog bezoek van eenigen doctors en andere, als mede enige vrouwen.

Het vertrek op voorstel van den Opp Banjoost op overmorgen bepaald.

zondag 14 maart 2010

Dinsdag 14.

...had hij de onbeschaamdheid 'S ochtends terug te komen en mij te willen doen gelooven dat hij die boodschap heden had verrigt. Ik zegde hem zulks niet te gelooven, maar dat ik veronder stelden, dat hij zooals zijne kollega's op Deshima een en andermaal hadden getragt te doen mij bij alle de hogere ambtenaren in Japan gaarne zou willen doen voorkomen als onbeleefd te wezen en de Kapittels niet in acht te nemen.
– Hij vroeg mij belet voor eenen rekenmeester op morgen. Ik zegde dat de ambtenaar heden dan wel morgen kon komen en ik hem gaarne zou ontvangen.
– Heden, de Ozakasche geneesheer aan den Hospes overgegeven. Kreeg dezen avond eenige bezoeken van docters en anderen, ook van enige vrouwen.

zaterdag 13 maart 2010

Maandag 13.

Vertrokken uit Nisinomia [Nishinomiya] in sneeuw en regen. Omstreeks elf Ure trokken [we] door den Stad Amagazakki [Amagasaki] vertoefden eenigen tijd te Sjoezio [Juso] in een zeer gering Theehuis, alwaar de dragers van Moero [Muro] mij verlieten en die van Ozaka [Osaka] hun vervingen. – Omstreeks drie Ure kwamen wij in onzen Herberg in gen. Stad dien vrij Slecht is, zijnde de vrtrekken zelfs niet zindelijk. – Wij wierden hier wezenlijk opgesloten terwijl de Opp Banjoos op mijne aanvraag mij te kennen gaf dat wij volgens Zoogen Kapittel bij den opreis [= heenreis] gedurende ons verblijf alhier niet vermogten uit te gaan, maar dat bij de terugreis ons zulks konden vergund worden.

Nadat wij gegeten hadden, kwam de Opp. Tolk dien te Sjaeozio vooruit was gegaan om onze aankomst den Gouverneurs bekend te maken, ons volgens gewoonte met den behouden aankomst gelukwenschen. Daar hij op mijne aanvraag daarover mij zegde dat den geschenken voor hier volgens Kapittel, aan den Hospes wierden afgegeven, zegde ik hem dat ik hem naar de Gouvr had willen zenden, om volgens gebruik hun namens mij te complimenteren en te vragen of zij thans, dan bij onze terugkomst de geschenken verkozen te ontvangen. Hij zegde mij zulks gedaan te hebben, waarop ik hem mijn ongenoegen te kennen gaf, en vroeg waarom hij mij zulks volgens zijne pligt niet had gezegd, maar mij enkel gezegd had, dat hij vooruit moest gaan om onze aankomst bekend te maken en dat ik thans moest veronderstellen, dat hij opzettelijk den Gouvr zoodanigen beleefde boodschap uit mijnen naam niet had gedaan daar ik, toen hij ten Sjoezio van mij afging niet dadelijk bedacht was geweest hem dat op te dragen en hij niet tijdig genoeg was teruggekomen om het alsnog te kunnen doen en dat hij, die beter dan ik den Kapittels kende mij in alle geval daarover had moeten herinneren. Volgens zijn gewoonte had hij veel daar tegenin te brengen, dat uit elendige uitvlugten, in hollandsche brabbeltaal voorgedragen bestond, en hij eindigde met mij ten willen dietsmaken, dat hij alnogmorgen ochtend de gedachte boodschap aan den Gouvr zou doen. – Ik antwoordde hem dat ik wel wist dat hij niet ten tweede maal bij den Gouvr zou durven verschijnen. En na nog eenigen woordenwisselingen voortrok hij, doch...

vrijdag 12 maart 2010

Zondag 12.

Om half negen ’s ochtends uit Fiogo [Hyogo] vertrokken en te drie Uren bij Nisinomia [Nishinomiya] ons nachtverblijf aangekomen. – Gingen na den eten door de stad en bezigtigden dezelve. Hier gedroeg zich het volk vooral de Straatjongens nog erger dan gister. Den laatste Schreeuwden en jouwden ons achterna, hetgeen de ons verzellenden policiedienaren te vergeefs trachten te beletten.

donderdag 11 maart 2010

Zaturdag 11.

‘S ochtends zeven Uren uit Kakagouwa [Kakogawa]. ’S middags in Okoeradijn gegeten een dorp buiten de hoofdstad van het L:Sp [lanschap] Akaze [Akashi] , eene grooten vrij schoone stad die wij doortrokken en kwamen den avond ten acht uren in Fiogo waar wij den nacht bleven. Zodra wij dit Landschap betraden, hadden wij gelegenheid het in het oog vallend onderscheid van policie op te merken die hier zeer gebrekkig Scheen te wezen, althans in vergelijking met het vorig Landschap. – overal liep het volk ons in den weg en achterna. Was daarbij zeer luidruchtig en de Straatjongens Schreeuwden ons na.

woensdag 10 maart 2010

Vrijdag 10.

Om 9 Uren onder Sterk Sneeuwen van Fimesie [Himeji] vertrokken, te Sonee [Sone] gegeten en Sliepen in Kakagawa [Kakogawa]. Bezigtigden twee vermaarde Sintoo Tempels en den gelijkelijk vermaarden Steen op de berg Isshihoden [Ishinohoden], digte bij het eenigen tijd te voren geheel afgebrand Dorp Oerroezakki.

dinsdag 9 maart 2010

Donderdag 9.

Vertrokken om Acht Uren ’S morgens, aten in Sjosio [Shojo] en Sliepen in Fimesie [Himeji] , wij reisden door zeer goed bebouwde vlakte. Overal in dit Landschap heerscht eene verwonderlijk goede policie. Het volk zoowel in de Steden Moero en Fimesi als op het Land, knielden of zat het volk neder. Ofschoon sommigen ons op een’ verren afstand zagen voorbijtrekken wierd hun door de policie Dienaaren die den Trein vooruitgingen en verselden, bevolen neder te zitten, en wanneer zij het hoofd bedekt hadden, – zich te ontdekken. Zelf moesten den kleine kinderen nederzitten. Den weg wierd overal Schoongemaakt.

maandag 8 maart 2010

Woensdag 8.

Wildden eene verandering in de dagreizen maken, Slechts zoo dat wij den Vierden dag in Ozaka doch in Stede van 'S middags eerst 'S avonds zouden aankomen, waartegen echter de Tolken volgens hunne gewoonten vele redenen bijbrachten, mij echter de enige ware reden verzwijgende, zijnde dat de Opp.Banjoost nog dien dezelfde dag bij den Gouvr moet gaan en het dan daartoe misschien al te laat zou worden. Ik droeg hen echter op het goedvinden van de zelve daarop te vernemen. Zij gingen en kwamen na een half Ure terug mij thans de gemelde zwarigheid wegens den Opp Banjoost voordragende. Ik zegde hem dat zij mij zulks eerder hadden behooren te zeggen, daar zij het toch reeds voor lange geweten hadden, dat ik zulks alleen toeschreef aan hun oogmerk om mij bij den Opp Banjoost te doen voorkomen, als wilde ik mij aan zijne directie der reis niet onderwerpen. Dat ik daarom na den eten, zelf bij dien Ambtenaar zou gaan, om hem daarover te spreken, hun opdragende hem daarvan te verwittigen.

– Ik ging op den gez[egde] tijd bij den Opp Banjoost, welke dezelfde zwarigheid opperde, waarom ik hem liet zeggen dat ik ten einde hem geene moeijelijkheid te dien opzigt te veroorzaken, gaarne mijn voornemen opgaf en de gewone dag reizen zou afleggen.

Wij gingen vervolgens door den Stad wandelen en de Tempel Moeronomiosin [Muro Myojin Yahiro] bezigtigen aan den Priester waarvan ik een boontje liet geven.

zondag 7 maart 2010

Dingsdag 7.

Ligten Anker om 6½ Ure en kwamen omstreeks ten 4½ U: te Moero, zijnde, daar de wind, toen wij voor de haven kwamen ongunstig was, door 16 kl: vaartuigen binnen geboegserd.

zaterdag 6 maart 2010

Maandag 6.

’S ochtends om 8 Ure zegde mij den Opp.Tolk, dat er boegseer Vaartuigen zouden komen om ons voort te trekken. Om 10 Uren echter, nog geen dier Vaartuigen zijnde aangekomen, liet ik den Opp.Tolk roepen, die op mijnen vraag deswegens, volgens Zijne gewoonte voorwendde dat de boegseer vaartuigen reeds vroegtijdig waren besteld. Ik zegde hem, dat die Vaartuigen door de Landsheer geleverd moetende worden, reeds voor langen, zouden zijn aangekomen indien ze werkelijk besteld waren, doch dat ik reeds lange en onder andere gister bij de voorgenomen Ankering te Tomo duidelijk ingezien had dat hij ons aan boord zocht te houden, omdat de vertering minder dan aan Land is, dat ik moede was mij door zijnen leugens en bedrog te laten misleiden, dat ik mij over de mishandelingen gedurende de reis ons aangedaan zou beklagen.

Hij trachtte zich door allerlei uitvlugten te disculpaeren, ik zegde hem dat ik wilde vertrekken en hij ging heen, om zoals hij voor gaf nogmaals de vaartuigen te ontbieden.

— Omstreeks den middag kwamen zes en zeven dier vaartuigen, in stede van 30 die men voorgaf besteld te zijn, zonder dat nogtans enige toebereidselen tot vertrek wierden gemaakt.

– Maar om half een ure kwam een der mindere Tolken mij zeggen dat de Wind te sterk en het Vaarwater gevaarlijk was, zoo dat wij niet konden vertrekken en verlangde mijn gevoelens daar over te weten. Ik zegde dat ik die boodschap wel verwacht had, dat hij den Opp.Tolk kon zeggen, dat ik ze vernomen had.

– Eenigen tijd daarna liet ik den Opp.Tolk andermaal roepen en gaf hem mijn ernstig misnoegen over zijn handeling te kennen, en zegde, dat daar er genoegzaam geen wind was, ik de reis zou willen voortzetten: Hij zegde dat de kapitein gevaar daarin steldde en vroeg mij of ik het vragen wilde. Ik antwoordde dat ik weg wilde en de verantwoording gerustelijk op mij durfde nemen, waarop hij heen ging. – en weinig tijds daarna mij liet weten dat het anker zou geligd worden, en omtrent ten half twee Ure wierden wij geboegseerd, doch vorderden maar weinig en omtrent Vier Ure liet mij de Opp Tolk weten dat de wind tegen en te sterk zijnde, de schipper niet verder durfden varen. Ik liet hem in antwoord zeggen, dat ik zulks wel verwacht had, dat de Schipper moest weten wat hij te doen had, doch dat ik hem verzocht mij met diergelijke boodschappen niet meer lastig te vallen als slechts uitvluchten zijnde om ons langer in de Bark te houden.

— Weinig tijds daarna gingen wij dicht bij onze laatste ligplaats wederom ten Anker.

vrijdag 5 maart 2010

Zondag 5

Ligten om 10 ½ Uur voormiddags Anker en Zeilden tot 10 Uren 'S avonds toen wij te Hibi voor Anker gingen. Voordat wij te Tomo kwamen, wierd mij door de Tolken gezegd, dat den Schipper aldaar wilden ankeren, de stroom tegen zijnde doch begrijpende dat zulks Slechts eene streek van den Tolken was om ons langer aan boord te houden, verzette ik mij daartegen nadrukkelijk, zodat de Opp Tolk die veinsde daar niets van te weten, den schipper deed voortvaren. Wij zeildden dus voorspoedig tot 's avonds 10 Uren zoo als gezegd is

donderdag 4 maart 2010

Zaterdag 4.

...wanneer wij omstreeks den middag weder onder Zeil gingen tot half elf Uren 'S avonds en te Mitterai [Mitarai] Anker lieten vallen.

woensdag 3 maart 2010

Vrijdag 3.

De Wind tegen zijnde, bleven aldaar voor anker liggen tot...

dinsdag 2 maart 2010

Donderdag 2.

De Wind gunstig zijnde, gingen wij deze ochtend onder Zeil, kwamen tot Jasiro Sima [Yashiro shima]en ankerdden aldaar, de nacht te donker zijnde om door te zeilen.

maandag 1 maart 2010

Woensdag Maart 1.

Gingen omstreeks 3 Ure des namiddags aan boord, doch de Wind tegen zijnde en het reeds laat zijnde, alvorens alles aan boord voor de reis bezorgd was, werd besloten den volgenden dag te vertrekken.