dinsdag 20 april 2010

Donderdag 20.

Voormiddags kwam de opp. Tolk en wr Scriba mij verwittigen dat beide de Stolpen te kort waren voor de Lampen. De eerste zegde mij dat nu mijn brief daarover (zie 16e) geheel abuis ware, ik begreep dadelijk dat zij gaarne gezien hadden dat ik mijn’ brief terug vroeg die zij naar alle vermoedens nog onder zich hebben gehouden. – Ik begaf mij naar het pakhuis en zag dat de glazen bol en het lange glas op de lampen waren geplaatst, welke ik deed afnemen, en toen bevonden zich de stolpen hoog genoeg. Ik nam aanleiding daarin om den Tolken te doen opmerken dat mijn brief zeer goed was, dewijl het nu bleek dat de Stolpen alleen geschikt waren, om de lampen te dekken, wanneer men die niet gebruikte, daar buitendien wanneer men al eens de stolp op de lampen zetten wilden terwijl die brand, de vlam zou uitgaan dan wel de Stolp breken. – De tolken schenen geheel verslagen en verlegen, daar wederom een hunner slechte streken mislukt is, en zijn mij gaarne de stolpen hadden doen terughouden Zoo als zij mij mij vroeger schriftelijk aangeraden hebben. Ik geloof dat zij nu zeer in verlegenheid zijn gebragt.

Namiddags omstreeks half vijf ure kwam de opp. Tolk mij berigten dat de Audiëntie tot na de 20e Japansch (26 dr) was uitgesteld.

’s avonds om acht Uren hadden wij eenen zéer sterke aardbeving. De schudding duurde eenige Seconden.

Alle dezer dagen zeer vele mensen om mijnen Kamers te bezigtigen

's avonds eenige K. Docters mij bezoeken.

maandag 19 april 2010

Woensdag 19.

De Opper Tolk verzocht mij namens den Gouvr om twee lange pijpen, die ik hem deed geven en een Tapijt dat ik echter niet heb. ‘s avonds kwam de Vrijheer van Nakats, en soupeerde bij mij met den keizerlijke Docters Botanicus en Kone Roan

zondag 18 april 2010

Dinsdag 18.

De Reparatie meester kwam 's namiddags mij bezoeken.

‘s avonds kwam (binnenkant) Takahashi Sakzeimon, Hof Astrologist, mij bezoeken. Hij bezigtigde mijne Landkaarten van den Vier Werelddeelen en die van het K rijk Holland, den chronometer en onderhield zich met den Doctor. [Von Sibold] over de observatiën enzovoort. – Hij soupeerde vervolgens bij mij met den keizerlijke Doctors Botanicus en Gentak den Zoon enz.

Men dacht heden dat de Audiëntie zal uitgesteld worden.

Kreeg heden geschenken van de Dames van den ouden Landsheer van Satsuma en daaronder van den oude Minnen der Keizerin enige kleinigheden die mij gezegd wierden haar van die vorstin geschonken te zijn.

zaterdag 17 april 2010

Maandag 17.

Kwam de Opp. Tolk mij berichten dat de gGeschenken aan het Paleis bezorgd waren door de Opp. Banjoos.

Namiddags wierd mij verhaald dat de tijding (aan den binnenkant) was gekomen van het overlijden van den eenen 14 jarigen Zoon van den Keizer. Zulks zal waarschijnlijk de audiëntie doen uitstellen.

vrijdag 16 april 2010

Zondag 16.

Het meten en Sorteren der geschenk stoffen geëindigd zijnde, ging ik in het geschenk pakhuis die bezichtigen.

Ten einde alle misduidingen voor te komen omtrent de glazen Stolpen en het niet opgeven derzelven tegelijk met de lampen daar die Stolpen naar den Gouverneur ter bezigtiging moesten gezonden worden, Schreef ik daarover deze brief aan de gouverneur Takahasi Zekirene[?] enz.

Inseratuur Glazen Stolpen Kbb No 13

Ik gaf die aan den Opper Tolk ter indiening af. Die na lezing hem had goedgevonden doch kort daarna kwam hij en den Onder Tolk bij mij. Zij wilden mij doen begrijpen dat die brief zoo niet kon ingediend worden, omdat de Gouvr zeer verlegen zou wezen met de door mij opgegeven redenen in den brief aan het hof voor te dragen, daar het nu scheen als of de Lampen defect waren. Ik wederlegde zulks en bleef volhouden in het verlangen dat die brief ingediend wierd, – waaraan zij mij eindelijk zegden te zullen voldoen en zijn namen dien mede. – Later kwam de onderTolk mij zeggen dat de brief bezorgd was, en dat de Gouverneur mij nader daarop zou antwoorden. De Stolpen zegde hij waren van den Gouvr teruggestuurd omdat hij die niet onder zich wilde houden als te breekbaar zijnde.

donderdag 15 april 2010

Zaterdag 15.

Ik ontving heden het Translaat waarbij toegestaan wordt het jaarlijksch Geschenk van zestig Teilen aan den Reken Gouverneur den 7e Sept. 1825 verzocht om voor te komen dat de Tolken

Een Dienaar van de Landsheer van Matomai vroeg belet en deed mij eenige vragen betrekkelijk de paarden en de RijdSchool, als hoe men in Europa de paarden voedt, of er middelen bestaan om wanneer een paard zeer vermoeid is, hetzelve nieuwe krachten bij te zetten, hoevele dagen achter elkander een paard kan loopen, welk Soort van paarden wij in Holland hebben enz. Ook wegens de Valkenjags alle welke vragen ik zo0 goed doenlijk beantwoorde. Ik gaf hem op zijn verzoek een paar reeds gebruikte Zeemleere handschoenen gaf waarvoor hij mij zeer bedankte.

Omstreeks Zeven Uren des avonds kwam de oude Landsheer van Satsuma met drie zijner zonen (den gewezene Landsheeren van Nakatz en van Koesmai en een jongere zoon oud omstreeks 13 jaren) een kleinzoon wiens vader de tegenwoordige Landsheer van Satsuma is), en zes vrouwen, waaronder twee Bijvrouwen van den ouden Landsheer en eenen van de genoemde landsheer van Koesmai. Eene der twee erstgenoemde was Ofkinokata, den moeder der tegenwoordige keizerin. xxxxx vrouw des keizers. Aan mij en de beide anderen Heeren, wierden in tegenwoordigheid en uit naam van den ouden Landsheer en zijne twee zoons met vele Staatsies enige geschenken aangeboden terwijl eerstgenoemde ons buitendien enige kleinigheden eigenhandig aan bood. – Daar ik, toen de prins van daar Katz voor eergisteren bij mij kwam, denzelven ene dubbelde Lorgnet (of bril) had aangeboden, verzocht de oude Landsheer mij om een bril, dien ik hem aan bood, – Waarna ook de zo even genoemde moeder der keizerin mij een dergelijk verzoek deed, waaraan ik dadelijk voldeed.

De oude Landsheer en zijn gezelschap bezagen alles onze woning, die wij enigszins naar den Europese wijze hadden ingerigt, Klederen, Meubelen enz. [Ze] hoorden vervolgens den Doctor Klavier spelen, bezigtigden zijne sterrenkundige en overige instrumenten, boeken enz. – Ik had op verlangen van den Ouden Vorst de Tafel doen dekken en liet het eten opbrengen, de xxxx Vorsten, de Vier andere Prinsen zetten zich met ons aan tafel en soupeerden. Ik merkte bij deze gelegenheid dat onze Tafel gebruiken, en ook onze Spijzen den Prinsen wel bevielen. Zij trachtten zelfs daarbij onze manieren aan te nemen.

De vorst had het verlangen geuit om van Dr. v Siebold het opzetten van vogelen te leeren en had tot dat einde een’ dooden vogel meegebragt. Na de tafel wierd door den Dr aan zijn verlangen voldaan.

De Dames bleven altijd bij het overige gezelschap. Zij waren zeer vriendelijk wellevend en in het minst niet terughoudend. Zij zaten wel niet met ons aan tafel, daar de gebruiken alhier dit niet gedogen, doch zij gebruikten het een en ander van het Souper.—

Om Middernacht vertrok de Vorst en zijn Gezelschap hun dank betuigende voor het genoten onthaal en de Dames gaven te kennen, dat zij gaarne nog eens het bezoek wenschten te mogen herhalen.

woensdag 14 april 2010

Vrijdag 14.

De Opper Tolk berigtte mij dat hij belast was, mij namens den Goevr aan te zeggen, dat daar het gewoonlijk te laat wierd, wanneer het Opp.hoofd op eenen dag bij alle den Rijks Raatsh Regters rondging, bepaald ware, dat dit maal bepaald was dat het Compliment bij den Raadsheeren in twee achtereenvolgende dagen zal worden afgelegd.

Daar ik vergeefs om eenige geschikte werklieden gevraagd heb, en mij niet dan zeer ongeschikte waren toegezonden, die door den Hospes moeten bezocht worden, hetwelk bij alle de op alle plaatsen waar wij gelogeerd hebben een verregaande in het oog loopend misbruik is, door de Hospesen in het werk stellen, om een voordeel te vinden op de goederen dien wij koopen of doen vervaardigen en hetgeen oorzaak is dat wij alles veel duurder moeten betalen, en het dan nog soms zeer slecht is, Schreef ik den Onder Banjoost deze brief.

Inseratur Kbb: N° 12

Eenigen tijd nadat ik dien verzonden had, kwam de ambtenaar bij mij en na eene onderhandeling waarbij den Hospes wierd geroepen, bepaalde de Opper Banjoost dat ik wanneer ik geen genoeg mogt nemen met den werklieden die mij de Hospes bezorgt, ik andere zou kunnen doen roepen mits den Hospes daarvan te verwittigen wanneer er een onderbanjoost bij zal tegenwoordig wezen, hetwelk voor de werklieden van den Hospes door den Opp. Banjoost wordt verschoond. – Daar echter de Hospes die een slecht en doortrapt voorkomen heeft, zijn zaak zelf de bij den Opp banjoost kan bepleiten en ik mij van een Tolk moet bedienen, die het steeds met hunne Landslieden tegen ons eens zijn, zie ik wel in dat ik daardoor weinig gemak zal hebben. — Intussen spijt het mij, dat ik bij de h: Regering geïntercedeerd heb, om deze Hospes Vijftig Knasters Suiker te mogen geven die tot gemoedkoming van het verlies van zijn huis door den brand, daar hij zulks slecht xxxxxx en dus niet verdiend. Daarom rade ik ook mijnen opvolgers zeer af om immer diergelijke giften aan den Regering voor te dragen ten zij dan als belooning van goed gedrag der Hospezen en dan eerst na volbrachten Hreis om niet altijd den dupe te wezen van de Speculaties dier Menschen en der Tolken die steeds zamen heulen.

Namiddags wierd ik door den Opperbanjoos bezocht zijnde een der genen die in het paleis alles regelt en bezorgt ten aanzien onzer Geschenken.

Voorts kwamen drie Docters van de Landsheer van Satzuma mij uit deszelfs naam complimenteren en bedankten mij nogmaals voor het op gisteren gestuurde gebak. Tevens kondigden zij mij tegen morgenavond het bezoek aan en vragen belet voor dien Landsheer en zijne bijvrouwen. Ik antwoordde dat mij zijn bezoek even vererend als aangenaam zou wezen, dat ik echter bij voorraad verschooning bad, omdat ik niet behoorlijk was ingerigt om hem behoorlijk te ontvangen, daar de verre reis die ik afgelegd had, mij niet toegelaten had, vele meubelen enz. mede te nemen, dat ik echter alles zou aanwenden om hem wel te ontvangen.

Ook een Dienaar van een Bloedverwant des Keizers Simizoe Skibikio die mij een Waaijer van denzelven welke bij den Keizerlijke Dans gebruikt worden, aanbood.

dinsdag 13 april 2010

Donderdag 13.

Omdat ik gister den Landsheer van Satsuma een Taart van gestoofde drooge holl. Appelen en peren gestuurd had, zond mij Z. H. heden ook middag een’ gesouten Kraanvogel en Jap. gebak en banket tot tegengeschenk.Ook ontving ik heden een geschenk van den Landsheer van Inoejamma (Wilhelmus) met zijne Complimenten.

maandag 12 april 2010

Woensdag 12

De zoo even gen. Landsheer Stuurde mij en ook aan de beide overige Heeren ieder een zeer fraai geschenk van levende vogels, visschen, eenige Stukken Stof, vijf dwergboompjes in potten

Een reparatiemr kwam mij bezoeken.

‘s avonds kwam de Prins van Stat Nakats, onverwacht mij een bezoek geven en bedanken voor de goede receptie van gister, onderhield zich eenige tijd met mij, bood mij een geschenk van Jap. Prenten aan, en nam afscheid van mij en bezocht bij het uitgaan den Doctor en den wr Scriba daar hij eerstgend hoorde Klavier spelen.

zondag 11 april 2010

Dingedag 11.

Kwam een reparatiemr mij geluk wenschen met volbrengen reis. Voorts twee gezanten der Nagazakkische gouverneurs Kommissaris van vreemdelingen om dezelfde reden.

‘S avonds omstreeks half acht Ure kwam de Prins van Nakats met een klein gevolg (aan den binnenkant) ons bezoeken. Hij gaf zijn genoegen te kennen over de inrigting onzer woning die hoezeer gebrekkig, enigszins in den Europeschen Smaak was gemeubileerd. Hij verzocht eenige onzer medegebragte goederen te zien waarvan de meeste hem zeer Schenen te bevallen --Hij hoorde den Doctor [Von Siebold] Klavier Spelen en bezichtigde deszelfs Sterrenkundige en natuurkundigen instrumenten en daar de Prins zijn verlangen te kennen gaf, om hollandsche Spijs te eten en de tafel wijze te zien hoe wij aan de tafel eten, liet ik de Tafel dekken en zoo Sierlijk inrigten als de omstandigheden toelieten. Ik verzocht den Prins mij de eer aan te doen met ons te souperen, hetgeen hij aannam. ij zette zich met ons aan de tafel, en at van een en andere Spijzen welke hem zeer Schenen te bevallen. Hij vertrok om elf Ure zeer voldaan met het onthaal; mij zijn dank betuigende voor de goede receptie tevens verzoekende dat twee zijner Bijvrouwen onze woning mogten komen bezigtigen. Ik antwoordde hem, dat het mij bijzonder aangenaam zou wezen die Dames te mogen ontvangen en alle die beleefdheden te betoonen die de omstandigheden mij zouden vergunnen.

Ook is mij heden hoop gegeven dat de oude Landsheer van Satzuma ons in het kort met een bezoek zal vereren.

woensdag 7 april 2010

Vrijdag 7.

Trokken bij zeer goed weder en warmte het Hakonische gebergte over en kwamen tot Odawara, alwaar overnachtten.

dinsdag 6 april 2010

Donderdag 6.

Gingen met vaartuigen de Foesigawa [Fujigawa] over en Sliepen te Noemarae [Numatsu].

maandag 5 april 2010

Woensdag 5.

wachtte men eerst dien tijding af waardoor wij te laat over trokken om verder dan Kambara [Kanbara] te komen, alwaar wij den nacht bleven.

zondag 4 april 2010

Dinsdag 4.

Bleven te Okits [Okitsu] omdat men ons zegde dat de herbergen te Kambarra door de Nagamats (Bagage) van den Landsheer van Kiesjae en eene Bijvrouw van den Landsheer van Satzuma bezet waren die aldaar moesten vertoeven omdat de Foezigawa door den gister en dezen nacht gevallen regen niet over te varen was. – Dan daar ik de opgegeven reden van ons vertoeven alhier als eenen uitvlucht der Tolken beschouwde om onze reis te vertragen, Schreef ik ’S avonds aan den Opp Banjoost om hem voor te stellen, dat het, ten einde geen tijd te verspillen, mij raadzamer toe scheen, morgen ochtend vroegtijdig naar Kambara te gaan om aldaar het oogenblik af te wachten. – Eenigen tijd nadat ik dien brief had geschreven, kreeg ik een mondeling antwoord, dat de Opp Banjoost ook van dat gevoelens was, en wij den volgenden ochtend zouden vertrekken. Intusschen. –

zaterdag 3 april 2010

Maandag 3.

Overnachten tot Foetjoe [Fuchu].

vrijdag 2 april 2010

Zondag 2.

Trokken de Ooijegawa [Oigawa] over en sliepen te Foezijeda [Fujieda], voorts

donderdag 1 april 2010

Zaturdag 1. April

Te Kakigawa [Kakegawa].

woensdag 31 maart 2010

Vrijdag 31.

Te Hamamats [Hamamatsu].

dinsdag 30 maart 2010

Donderdag 30.

Te Jozida[ Yoshida].

maandag 29 maart 2010

Woensdag 29.

... Tot Fsiloe [Chiryu].

zondag 28 maart 2010

Dingsdag 28.

en voormiddags te Kwana [Kuwana] alwaar 'S middags aten.— Den Opp Tolk vroeg mij of ik verkoos overzee regtstreeks naar Mia [Miya], dan wel de rivier op, tot Sajas van daar te land naar voorgen. plaats te gaan. Ik verkoos het eerste, dewijl mij gezegd wierd, dat wind en weder gunstige waren. Intusschen wierden achter onze herberg de vaartuigen gereedgemaakt, kwasie om zoodanig te reizen, dan het bleek weldra dat de Tolken reeds vooraf het anders bepaald hadden, want het hete kort daarna dat de wind te sterk was en het gevaarlijk zou wezen over Zee te gaan, en zij stuurden mij de Schrijver, en Trein en Koeliemr die mij kwamen verzoeken zoodanige gevaarlijken Zeetocht niet te ondernemen, dat ik, vrezende dat het te laat zou worden om heden verder te komen indien ik bij mijn voornemen blijven wilde, en daar ook de gereedgemaakte Vaartuigen niet geschikt waren om Zee te bevaren., vond ik mij genoodzaakt daarvan af te zien en wij vertrokken met die vaartuigen die ons te Saja bragten alwaar overnachten. – Wij kwamen...

zaterdag 27 maart 2010

Maandag 27.

Te Jokaïts [Yokkaichi]

vrijdag 26 maart 2010

Zondag 26.

...te FjoetiSamma [Tsichiyama].

donderdag 25 maart 2010

Zaturdag 25.

Namidd: vertrokken en Sliepen te Koezats [Kustsu], en zetten onze reis voort en kwamen...

woensdag 24 maart 2010

Vrijdag 24.

Den Opp Tolk kwam om mij den pas van den Groot Regter te vertoonen, waarvan hij mij op mijn verlangen een Kopij bezorgde.

Namiddags kwam de Opp Banjoost, bedankte mij voor de attentie, dat ik hem gedurende zijne ongesteldheid alhier dagelijks Bouillon en holl. gedroogde kruidten had gestuurd. Ook betuigde hij mij zijnen dank voor het geschenk van het Horlogie, waaromtr hij aanmerkte, dat te voren Slechts een horlogie zonder de repetitie was gegeven. – Hij sprak met mij af omtrent de reis.

En daar ik reden heb om te veronderstellen dat de Lijst der Kapittels welke het onderwerp van den onderstaanden Brief uitmaken niet juist is, adresseerde ik mij aan den Opp Banjoost daarover en gaf hem deze brief over.

Inseratur [Kbb No 11]

Hij zegde mij daarover met den Opp Tolk te zullen Spreken en vertrok.--

dinsdag 23 maart 2010

Donderdag 23.

Ik stuurde heden den Opp: Banjoost het Kapittel Horlogie (zijnde een Zeer fraai goud horlogie) buiten Kapitt: repetitie met Ketting Sleutel en Cachet alsook aan den Ond. Banjoosten (in stede van den Kapitt: mantel) elk een gouden Kobang. –

-Verder betaalde ik aan de dragers, de Kabaaijen, broeken, hoeden, en doeken. Enige voorname Dienaars van den Dairi met Complt Mantels alsmede eene vrouw van een’ voorname zogen. Soldaat van denzelve met hare Dochter kwamen mij bezoeken, aan welke ik alle voorwerpen vertoonde die ik bij mij had, en tot ons gebruik dienen en voor hun nieuw en daarom zeldzaam zijn: Alle gingen zeer vergenoegt en met dankbetuigingen heen; en mij wierd voor de terugreis het bezoek aangezegd van Madenokozi Dainagons die, aan den binnenkant, met zijn de vrouw bij mij zal komen.

maandag 22 maart 2010

Woensdag 22.

Steeds vele bezoeken gehad, namiddags kwam de Doctor van gisteren, die na mij zulks te hebben verzocht, zijnen Vader meebragt genaamd Jamawaki Gentsi, Keizerlijke Docter, dien ik een en andere aardigheden liet zien, die ik bij mij had. En beiden Schreven een Jap: gedicht voor mij, waarna zij vertrokken mij veelmaals bedankende voor het genoten onthaal.

Onze reis wordt, uit hoofde des vertreks van de vroeger vermelde Gezanten verschoven tot op den 25 dr.

zondag 21 maart 2010

Dingsdag 21.

Ook heden veel bezoek almede van een Doctor des Dairis ontvangen.

zaterdag 20 maart 2010

Maandag 20.

Stuurde gend Heer mij met andermalige dankbetuigingen een tinnen Vaas of pot om bloemruikers in te zetten, en liet mij om een of twee der bij mij bezigtigde platen verzoeken, welke ik hem stuurde met eenige Stukjes goud Stof.

– Uit hoofde van het vertrek van hier op den 24 en 25ste dezer van den Gezanten van den Dairi aan den Wereldlijken Keizer, dat volgens zeggen der Tolken ons zou verpligten onder weg een of meer Dagen Stil te liggen, is ons vertrek van hier uitgesteld en op den 24e dr bepaald. Ontving al nog vele bezoeken, ook dat van een voornaam Doctor van den Dairi

vrijdag 19 maart 2010

Zondag 19.

Kreeg veel bezoek, meeste Doctors, daaronder een Doctor van de Dairi of geestelijken Keizer. Ook na vooraf gevraagd belet kwam even na middag de Fioenagon (een rang boven dien van Landsheer) Foezewarano TojoSoeje met deszelfs zoon. Hij kwam geheel incognito onder de naam van Doctor en met een zeer kleine gevolg. Hij was een man van omstreeks 45 jaren zeer wellevend en vriendelijk. Ik liet hem onze Tafelgereedschap, Zilverwerk, kleding, Horlogiën, en eenige platen zien. Aan alles scheen hij veel genoegen te nemen, daar alles nieuw voor hem was. Hij bleef langer dan anderhalf uur en vertrok zeer voldaan zoo het scheen, mij zeer bedankende voor het genoten onthaal van Likeur, Konfituren, vruchten op Brandewijn enz.

donderdag 18 maart 2010

Zaterdag 18.

...dien Ambtr mij 's ochtendsvroeg, nogmaals Zijn Compliment liet aanbieden.

Vertrokken om Acht Uren 'S ochtends en kwamen om half twaalf in het Logement te Miako zijnde al dien tijd omtrent drie Japanse Mijlen door eene onafgebrokene Straat van dicht aan elkander staande (meest alle winkels) huizen en Tempels getrokken. –

De Bark waarmede onze Goederen van Ozakka naar hier waren vertrokken, kwam eerst om half vier Ure aan en daar die de rivier op moest varen, zoude ik voor het vervolg die wijze van vervoer afraden, dewijl men gevaar loopt om lange naar de Goederen te moeten wachten.

Ik had gister avond den Opp. Tolk opgedragen, om volgens gebruik mijn complt den Opp Regter en den Gouvr aan te bieden. – Hij was heden ochtend vooruit gegaan en kwam om half een, mij berigt brengen dat de gez. Ambtn mij weerkeerig lieten groeten en verkozen hadden de Geschenken bij terug komst te ontvangen.

woensdag 17 maart 2010

Vrijdag 17.

Vertrokken 'S ochtends omstreeks half negen Ure en kwamen ten negen Ure ‘S avond in Foezimi [Fushimi].—Een uur later wierd ik namens den Gouverneur der plaats met de aankomst verwelkomt, terwijl...

dinsdag 16 maart 2010

Donderdag 16.

Ontving alnog bezoeken van eenigen inwoonders van Ozakka [Osaka] en wierd alles tot het vertrek op morgen gereed gemaakt.

maandag 15 maart 2010

Woensdag 15.

Om twee Ure namiddags kwamen de gisteren aangekondigde rekenmeester, een bediende der Geldkaner, den Hofr: Opp Banjoost en eenige anderen Ambtenaren, welke ik op de gebruikelijke wijze onthaalde.

'S avonds kreeg alnog bezoek van eenigen doctors en andere, als mede enige vrouwen.

Het vertrek op voorstel van den Opp Banjoost op overmorgen bepaald.

zondag 14 maart 2010

Dinsdag 14.

...had hij de onbeschaamdheid 'S ochtends terug te komen en mij te willen doen gelooven dat hij die boodschap heden had verrigt. Ik zegde hem zulks niet te gelooven, maar dat ik veronder stelden, dat hij zooals zijne kollega's op Deshima een en andermaal hadden getragt te doen mij bij alle de hogere ambtenaren in Japan gaarne zou willen doen voorkomen als onbeleefd te wezen en de Kapittels niet in acht te nemen.
– Hij vroeg mij belet voor eenen rekenmeester op morgen. Ik zegde dat de ambtenaar heden dan wel morgen kon komen en ik hem gaarne zou ontvangen.
– Heden, de Ozakasche geneesheer aan den Hospes overgegeven. Kreeg dezen avond eenige bezoeken van docters en anderen, ook van enige vrouwen.

zaterdag 13 maart 2010

Maandag 13.

Vertrokken uit Nisinomia [Nishinomiya] in sneeuw en regen. Omstreeks elf Ure trokken [we] door den Stad Amagazakki [Amagasaki] vertoefden eenigen tijd te Sjoezio [Juso] in een zeer gering Theehuis, alwaar de dragers van Moero [Muro] mij verlieten en die van Ozaka [Osaka] hun vervingen. – Omstreeks drie Ure kwamen wij in onzen Herberg in gen. Stad dien vrij Slecht is, zijnde de vrtrekken zelfs niet zindelijk. – Wij wierden hier wezenlijk opgesloten terwijl de Opp Banjoos op mijne aanvraag mij te kennen gaf dat wij volgens Zoogen Kapittel bij den opreis [= heenreis] gedurende ons verblijf alhier niet vermogten uit te gaan, maar dat bij de terugreis ons zulks konden vergund worden.

Nadat wij gegeten hadden, kwam de Opp. Tolk dien te Sjaeozio vooruit was gegaan om onze aankomst den Gouverneurs bekend te maken, ons volgens gewoonte met den behouden aankomst gelukwenschen. Daar hij op mijne aanvraag daarover mij zegde dat den geschenken voor hier volgens Kapittel, aan den Hospes wierden afgegeven, zegde ik hem dat ik hem naar de Gouvr had willen zenden, om volgens gebruik hun namens mij te complimenteren en te vragen of zij thans, dan bij onze terugkomst de geschenken verkozen te ontvangen. Hij zegde mij zulks gedaan te hebben, waarop ik hem mijn ongenoegen te kennen gaf, en vroeg waarom hij mij zulks volgens zijne pligt niet had gezegd, maar mij enkel gezegd had, dat hij vooruit moest gaan om onze aankomst bekend te maken en dat ik thans moest veronderstellen, dat hij opzettelijk den Gouvr zoodanigen beleefde boodschap uit mijnen naam niet had gedaan daar ik, toen hij ten Sjoezio van mij afging niet dadelijk bedacht was geweest hem dat op te dragen en hij niet tijdig genoeg was teruggekomen om het alsnog te kunnen doen en dat hij, die beter dan ik den Kapittels kende mij in alle geval daarover had moeten herinneren. Volgens zijn gewoonte had hij veel daar tegenin te brengen, dat uit elendige uitvlugten, in hollandsche brabbeltaal voorgedragen bestond, en hij eindigde met mij ten willen dietsmaken, dat hij alnogmorgen ochtend de gedachte boodschap aan den Gouvr zou doen. – Ik antwoordde hem dat ik wel wist dat hij niet ten tweede maal bij den Gouvr zou durven verschijnen. En na nog eenigen woordenwisselingen voortrok hij, doch...

vrijdag 12 maart 2010

Zondag 12.

Om half negen ’s ochtends uit Fiogo [Hyogo] vertrokken en te drie Uren bij Nisinomia [Nishinomiya] ons nachtverblijf aangekomen. – Gingen na den eten door de stad en bezigtigden dezelve. Hier gedroeg zich het volk vooral de Straatjongens nog erger dan gister. Den laatste Schreeuwden en jouwden ons achterna, hetgeen de ons verzellenden policiedienaren te vergeefs trachten te beletten.

donderdag 11 maart 2010

Zaturdag 11.

‘S ochtends zeven Uren uit Kakagouwa [Kakogawa]. ’S middags in Okoeradijn gegeten een dorp buiten de hoofdstad van het L:Sp [lanschap] Akaze [Akashi] , eene grooten vrij schoone stad die wij doortrokken en kwamen den avond ten acht uren in Fiogo waar wij den nacht bleven. Zodra wij dit Landschap betraden, hadden wij gelegenheid het in het oog vallend onderscheid van policie op te merken die hier zeer gebrekkig Scheen te wezen, althans in vergelijking met het vorig Landschap. – overal liep het volk ons in den weg en achterna. Was daarbij zeer luidruchtig en de Straatjongens Schreeuwden ons na.

woensdag 10 maart 2010

Vrijdag 10.

Om 9 Uren onder Sterk Sneeuwen van Fimesie [Himeji] vertrokken, te Sonee [Sone] gegeten en Sliepen in Kakagawa [Kakogawa]. Bezigtigden twee vermaarde Sintoo Tempels en den gelijkelijk vermaarden Steen op de berg Isshihoden [Ishinohoden], digte bij het eenigen tijd te voren geheel afgebrand Dorp Oerroezakki.

dinsdag 9 maart 2010

Donderdag 9.

Vertrokken om Acht Uren ’S morgens, aten in Sjosio [Shojo] en Sliepen in Fimesie [Himeji] , wij reisden door zeer goed bebouwde vlakte. Overal in dit Landschap heerscht eene verwonderlijk goede policie. Het volk zoowel in de Steden Moero en Fimesi als op het Land, knielden of zat het volk neder. Ofschoon sommigen ons op een’ verren afstand zagen voorbijtrekken wierd hun door de policie Dienaaren die den Trein vooruitgingen en verselden, bevolen neder te zitten, en wanneer zij het hoofd bedekt hadden, – zich te ontdekken. Zelf moesten den kleine kinderen nederzitten. Den weg wierd overal Schoongemaakt.

maandag 8 maart 2010

Woensdag 8.

Wildden eene verandering in de dagreizen maken, Slechts zoo dat wij den Vierden dag in Ozaka doch in Stede van 'S middags eerst 'S avonds zouden aankomen, waartegen echter de Tolken volgens hunne gewoonten vele redenen bijbrachten, mij echter de enige ware reden verzwijgende, zijnde dat de Opp.Banjoost nog dien dezelfde dag bij den Gouvr moet gaan en het dan daartoe misschien al te laat zou worden. Ik droeg hen echter op het goedvinden van de zelve daarop te vernemen. Zij gingen en kwamen na een half Ure terug mij thans de gemelde zwarigheid wegens den Opp Banjoost voordragende. Ik zegde hem dat zij mij zulks eerder hadden behooren te zeggen, daar zij het toch reeds voor lange geweten hadden, dat ik zulks alleen toeschreef aan hun oogmerk om mij bij den Opp Banjoost te doen voorkomen, als wilde ik mij aan zijne directie der reis niet onderwerpen. Dat ik daarom na den eten, zelf bij dien Ambtenaar zou gaan, om hem daarover te spreken, hun opdragende hem daarvan te verwittigen.

– Ik ging op den gez[egde] tijd bij den Opp Banjoost, welke dezelfde zwarigheid opperde, waarom ik hem liet zeggen dat ik ten einde hem geene moeijelijkheid te dien opzigt te veroorzaken, gaarne mijn voornemen opgaf en de gewone dag reizen zou afleggen.

Wij gingen vervolgens door den Stad wandelen en de Tempel Moeronomiosin [Muro Myojin Yahiro] bezigtigen aan den Priester waarvan ik een boontje liet geven.

zondag 7 maart 2010

Dingsdag 7.

Ligten Anker om 6½ Ure en kwamen omstreeks ten 4½ U: te Moero, zijnde, daar de wind, toen wij voor de haven kwamen ongunstig was, door 16 kl: vaartuigen binnen geboegserd.

zaterdag 6 maart 2010

Maandag 6.

’S ochtends om 8 Ure zegde mij den Opp.Tolk, dat er boegseer Vaartuigen zouden komen om ons voort te trekken. Om 10 Uren echter, nog geen dier Vaartuigen zijnde aangekomen, liet ik den Opp.Tolk roepen, die op mijnen vraag deswegens, volgens Zijne gewoonte voorwendde dat de boegseer vaartuigen reeds vroegtijdig waren besteld. Ik zegde hem, dat die Vaartuigen door de Landsheer geleverd moetende worden, reeds voor langen, zouden zijn aangekomen indien ze werkelijk besteld waren, doch dat ik reeds lange en onder andere gister bij de voorgenomen Ankering te Tomo duidelijk ingezien had dat hij ons aan boord zocht te houden, omdat de vertering minder dan aan Land is, dat ik moede was mij door zijnen leugens en bedrog te laten misleiden, dat ik mij over de mishandelingen gedurende de reis ons aangedaan zou beklagen.

Hij trachtte zich door allerlei uitvlugten te disculpaeren, ik zegde hem dat ik wilde vertrekken en hij ging heen, om zoals hij voor gaf nogmaals de vaartuigen te ontbieden.

— Omstreeks den middag kwamen zes en zeven dier vaartuigen, in stede van 30 die men voorgaf besteld te zijn, zonder dat nogtans enige toebereidselen tot vertrek wierden gemaakt.

– Maar om half een ure kwam een der mindere Tolken mij zeggen dat de Wind te sterk en het Vaarwater gevaarlijk was, zoo dat wij niet konden vertrekken en verlangde mijn gevoelens daar over te weten. Ik zegde dat ik die boodschap wel verwacht had, dat hij den Opp.Tolk kon zeggen, dat ik ze vernomen had.

– Eenigen tijd daarna liet ik den Opp.Tolk andermaal roepen en gaf hem mijn ernstig misnoegen over zijn handeling te kennen, en zegde, dat daar er genoegzaam geen wind was, ik de reis zou willen voortzetten: Hij zegde dat de kapitein gevaar daarin steldde en vroeg mij of ik het vragen wilde. Ik antwoordde dat ik weg wilde en de verantwoording gerustelijk op mij durfde nemen, waarop hij heen ging. – en weinig tijds daarna mij liet weten dat het anker zou geligd worden, en omtrent ten half twee Ure wierden wij geboegseerd, doch vorderden maar weinig en omtrent Vier Ure liet mij de Opp Tolk weten dat de wind tegen en te sterk zijnde, de schipper niet verder durfden varen. Ik liet hem in antwoord zeggen, dat ik zulks wel verwacht had, dat de Schipper moest weten wat hij te doen had, doch dat ik hem verzocht mij met diergelijke boodschappen niet meer lastig te vallen als slechts uitvluchten zijnde om ons langer in de Bark te houden.

— Weinig tijds daarna gingen wij dicht bij onze laatste ligplaats wederom ten Anker.

vrijdag 5 maart 2010

Zondag 5

Ligten om 10 ½ Uur voormiddags Anker en Zeilden tot 10 Uren 'S avonds toen wij te Hibi voor Anker gingen. Voordat wij te Tomo kwamen, wierd mij door de Tolken gezegd, dat den Schipper aldaar wilden ankeren, de stroom tegen zijnde doch begrijpende dat zulks Slechts eene streek van den Tolken was om ons langer aan boord te houden, verzette ik mij daartegen nadrukkelijk, zodat de Opp Tolk die veinsde daar niets van te weten, den schipper deed voortvaren. Wij zeildden dus voorspoedig tot 's avonds 10 Uren zoo als gezegd is

donderdag 4 maart 2010

Zaterdag 4.

...wanneer wij omstreeks den middag weder onder Zeil gingen tot half elf Uren 'S avonds en te Mitterai [Mitarai] Anker lieten vallen.

woensdag 3 maart 2010

Vrijdag 3.

De Wind tegen zijnde, bleven aldaar voor anker liggen tot...

dinsdag 2 maart 2010

Donderdag 2.

De Wind gunstig zijnde, gingen wij deze ochtend onder Zeil, kwamen tot Jasiro Sima [Yashiro shima]en ankerdden aldaar, de nacht te donker zijnde om door te zeilen.

maandag 1 maart 2010

Woensdag Maart 1.

Gingen omstreeks 3 Ure des namiddags aan boord, doch de Wind tegen zijnde en het reeds laat zijnde, alvorens alles aan boord voor de reis bezorgd was, werd besloten den volgenden dag te vertrekken.

zondag 28 februari 2010

Dingsdag 28.

Daar ik zag dat den Tolken ons verblijf al hier afwachtten en verlengen, had ik den Opper door een der Onderbanjoosten Doen verzoeken om te vertrekken. Echter hebben den Tolken onder een en ander voorwendsel ons vertrek weten uit te stellen. Op mijn ernstigen aandrang wordt mij heden verzekerd dat Wind en Weder zulks toelatend wij morgen ochtend zullen vertrekken.

zaterdag 27 februari 2010

Maandag 27.

Den w: Scriba en de Doctor zijn eene wandeling en waarnemingen naar Sims en ten Takezakki [Takesaki]en Kamogasakki Doen, waarbij geen der Tolken Was. –

vrijdag 26 februari 2010

Zondag 26.

Deed ik met den w: Scriba eene wandeling door de Stad en wij rustten in het naar huis gaan enigen oogenblikken in den Tempel Chorrans, aan welkers Priester ik een boontje vereerde.

S’ avonds onthaalde gaf ik den Opper, de drie onder Banjoosten, de Tolken, de beide Hospesen op eenen Sakkineer partij, met twee Samsi Speelsters, waarbij ook de Vrouw en de Dochters van den huize tegenwoordig waren.

donderdag 25 februari 2010

Zaturdag 25.

Gingen de beide andere Heeren, naar Danowaera [Dannoura] en Sakineerden S’ avonds bij onzen Hospes Sakko Zinzeimon.

woensdag 24 februari 2010

Vrijdag 24.

Gingen den tempel Amida bezichtigden, alwaar ons enige overblijfselen vertoond werden

van den geestelijke keizer Antokftuin welken minne waarvan verhaald wordt, dat hij, een kind van zeven jaren, door den wereldse keizer Joritoma beoorlogd en zijn heer overwonnen zijnde, zijnen minnen, opdat hij niet in handen van den overwinnaar mogt vallen, zich met hem in het zee storten en verdronk.— Staken vervolgens over en deden eene wandeling naar Hayatoma [Hayatomo] . Kwamen terug en bragten den avond door bij de Hospes Ito moknozio (volgens zijnen holl. naam: Hk [Hendrik] V D Berg) op eene Sakkineer partij.

maandag 22 februari 2010

Woensdag 22.

Kwamen wij te Simonoseki [Shimonoseki] vrij vroegtijdig, doch de geschenken kwamen eerst laat in den nacht aan, hetgeen mij speculatief voorkwam daar de Opper en onder Banjoosten tegelijk met ons waren aangekomen en de geschenken dus zonder voldoende toezicht zoo lange te Kaefkura [Kokura] waren achtergelaten.

Zoo zeer ik reden had mij gestadig te ergeren over de aanhoudenden schandelijke xxxxxx uitvluchten, leugens en verdere gewoonlijk slechte streken der Tolken die gedurende de reis even gelijk te Dezima, hunne verregaande slechtheid aan de dag legden die ons de minste vrijheid, welke zij ons egter niet kunnen onthouden, altijd als eenen bijzondere gunst trachtten

te doen beschouwen, ten einde ons die ten duursten te kunnen verkopen, zoo zeer zegde ik, ik reden had mij daarover te ergeren. Zoo zeer in tegendeel had ik alle redenen van genoegen over het bijzonder vriendelijk en evenzeer heusch gedrag. van den Opper en van den drie onder Banjoosten, die zijne hunne dienst met alle de meeste discretie en beleefdheid waarnamen, niet alleen maar ook zoo aan mij, als aan de beiden andere Heeren, alle de vrijheid lieten in onze handelingen als wij billijker ons(konden verlangen. Dee eerstgen. daar ze scheen zijn gezag alleen te doen gelden om ons de reis gemakkelijk en aangenaam te maken.

donderdag 18 februari 2010

Zaterdag 18

de Reis voort, aten, rusten en Sliepen op de bepaalde pleister, rust en Slaapplaatsen gaf een

half boontje xxxxxxx volg kapittel en bezichtigden te Oda den almede buitengewone grooten Kamferboom in welkers holte het beeld van den God Badokwanong uit het hout van den Boom zelf is uitgesneden welke tevens tot Termpel strekt, – Gaf een ½ boontje extra

of buiten kapittel te Fiamits toge en Woedsino op de beide welke plaatsen [we] volgens gebruik sakkineerden en een geschenk van een Fazant voor mij en een tweede voor de Scriba en Den Doctor kregen – Onder weg viel niets bijzonders voort. – Ik vond mij genoodzaakt den Opp Tolk eenigen malen enige ontevredenheid te betuigen over het de Slechte Tafel en zelfs gebrek aan eten, daar ik vergeefs x de eerste vier à vijf dagen 'S morgens een ontbijt onder weg had verlangd, terwijl te Kojanosfa de keuken Nagexxts zo laat in de nacht aan kwamen, dat wij des avonds niets te eten hadden, hetwelk alles voortkomt uit de Schandelijke Speculaties der Tolken die den Tafel moetende voorzien, ons op die wijze bestelen om hunne beurs te maken. Door mijn bedreiging van mij daarover te zullen beklagen verkreeg ik Slechts eenen geringe verbetering in dat opzicht.

Donderdag 16.

Vertrokken circa half acht Uren, aten de Omura en Sonogi, Sliepen te Sonogi.

woensdag 17 februari 2010

Vrijdag 17.

Vertrokken vandaar des morgens vroeg, bezichtigden den Kamferboom omtrent een Jap: mijl buiten die plaats, beroemd door zijnen buitengewone dikte van ruim 50 Vt [voet] in den omtrek – doch door ouderdom geheel hol. – Sliepen in Takino. en zetten

maandag 15 februari 2010

Op hofreis

Donderdag [=Woensdag] 15.

‘S morgens vroeg kwam de Opper-, de drie Onderbanjoosten en de Hofreis Tolken om mij

af te halen en nadat hij vertrokken was gaf ik het beheer op Dezima, aan den pakhuismr VO Fisscher over, Stelde hem ter hand de verzegelde Sleutels van de Kamferhoute Kist die ik al mede met Kompagnie Cachet verzegeld had, benevens den Sleutels van het brandvrije Pakhuis en dien van het dispens Pakhuis, voorzag hem als gebruikelijk van een de volgende Memorie enz. zie bijl. Kb o1.

Daarna verliet ik Dezima met mijne beide reisgenoten Dr von Siebold en den waarnd Scriba Burger om acht uren uitgeleid door de drie terugblijvende Ambtenaren van welke wij aan den Mosschelbank afscheid namen en de reis aanvaarden. Wij aten in dexxxxxx en sliepen te Isahara [Isahaya].

zondag 14 februari 2010

Dingsdag 14.

Worden de Goederen gevisiteerd en verzegeld ook den twee overgebleven Glaze Stolpen

ingepakt.

Tegen den avond, komen de Dwarskijker en de Onder Rapporteur mij de Translaat

Order waarbij aan mij ik, als voor de erste maal de Hofreis doende, gewaarschuwd worde om gedurende de reis eendragtig met de Tolken te zijn, de oude Kapittels in acht te nemen en den Raad van den Opp Banjoosten te volgen en den twee andere Hollanders den Vrede en eendracht te bevelen.

Ik zag duidelijk aan den inhoud van het Translaat dat het door de kruiperijen der Tolken geprovoceerd was. Ik gaf de zulks niet onduidelijk den Dwarskijker te kennen en zegde, dat ik wel inzag dat zij den Gouvr, wederom, als naar gewoonte, verkeerd omtrent mij onderrigt hadden, doch dat ik hoopte eenmaal denzelve de waarheid te doen kennen, dat er tusschen het

Opperh en de Tolken geen eendracht kon plaats vinden, wanneer hij dat moest hoog vernemen door alle hunne onredelijke vorderingen van lichtingen enz. in te willigen, dat wanneer zij hunnen pligt deden dat alles was, dat ik van hun verlangde, doch dat zoo zij dachten, dat ik mij door hun zou laten regeren, zij zich zeer zouden bedriegen, dat, hoezeer zij gaarne zouden zien dat ik mij even als den zogenoemde Kapitein der Chinezen onderwierp, om op het Kollegie de bevelen der Tolken te komen vragen, ik als gezant der hooge Indische Regering mijnen waarde te zeer gevoelde, om mij met jun gelijk te stellen, dat zoo de Tolken, die ik als dienaren van het Opph beschouwde, op reis zich wel gedroegen en mij reden to tevredenheid gaven, ik hun eene belooning zou toeleggen, en hun mijne Gunst betoonen, en anders niet – De Dwarskijker had zeer weinig in te brengen, de Ond Rappr die het Translaat had overgezet zegde dat hij misschien niet goed had overgezet. Dan ik zeide dat ik den geest van hetzelve genoeg begreep en daarmede gingen zij heen.

vrijdag 12 februari 2010

Zondag 12.

De Ondertolk Soekizero, Keizerlijke Zaakbezorger, komt mij in Contra geschenk voor de in het voorleden jaar aan Z: K: M: aangeboden Kristallen Kandelaren, twintig Stukken Zijden Stoffen brengen.

Geen Translaat daarbij zijnde, gaf ik aan den Tolk daarover mijne bevreemding te kennen, daar het een Geschenk was van hoogstgedachte Zijne M: niet aan mij maar aan de hooge Regering. Hij zegde geen Translaat van den Gouvr daarbij te hebben ontvangen, maar mij een geschrift van het Kollegie even als voor de rollen Zijde te zullen bezorgen.

donderdag 11 februari 2010

Zaturdag 11.

Ik verzocht bij missieve aan den Opp Rappr Burgemeester om aan het kl kind van Dr Feilken Duizend Katies Suiker te mogen geven.

Den Opp Rappr hedenmorgen vroegtijdig ontboden, kwam en hield zich onkundig te wezen van het breken der Glaze Stolp. Ik zegde hem dat alsdan de Opp Rappr zijne pligt verzuimd had, daar ik hem gister had opgedragen dat ongeluk aan den Gouvr bekend te maken – en dat ik hem Opp Rappr verantwoordelijk stelde indien het den Gouvr niet bekend wierd gemaakt. Ik beklaagde mij tevens, dat de Kassen voor de twee overgeblevene Stolpen nog niet bezorgd waren. Hij beloofde mij die en ze wierden mij ook ’S namiddags gebracht, Doch de ene was te klein en moet hermaakt worden.

Namidd. Kwam de Opp Rappr mij zeggen, dat hij de Gouvr van het breken der Stolp had kennis gegeven

woensdag 10 februari 2010

Vrijdag 10.

De drie Stolpen voor den Spelenden Lampen waren voorgister avond in de dispens Kamer geborgen. Gister ben ik slechts ik een oogenblik in die Kamer, die gesloten is, geweest wanneer ik de Solpen geheel en nog gaaf heb gezien, dan dezen ochtend, kwam een der Japansche Dienaaren (JonaSa) mij kennis geven, dat hij in die kamer xxxxxxxx de ene der twee kleine Stolpen had bevonden gebroken te wezen. Ik begaf mij in de dispensie en bevond de Stolp die in eene mat of grof zeildoek was gewikkeld geheel verbrijzeld.

Na gedaan onderzoek is het mij volstrekt onbegrijpelijk gebleven door welk toeval zulks geschied is, de enigste xxx uitlegging daaraan te geven is dat, zoo als ik veronderstel, er iemand des nachts het venster (de deur was op het slot) in gekomen met intentie van te stelen , en in den donker met den hand op de Stolp heeft geleund, dan wel met den voet daarop getrapt heeft.— Ik verzocht de Ambtenaren Visscher en Gozeman degebroken Stolp te bezigtigen en van het bevonden proces Verbaal op te maken hetgeen geschied is.

Nadat ik den Opper Hofreis Tolk, Sinzeimon reeds vroeg, twee malen mondeling en de derde reis[?] schriftelijk, bij mij had ontboden Kwamen omstreeks 3 Uren de Ond Hofr Tolk Jasuro voorgevende dat Sinzeimon den gehele dag zijne nieuw jaars Compln was gaan afleggen alzoo hij eergister den geheele dag op Dezima in dienst was geweest. – Ik vroeg hem (Jasuro) naar den Kassen voor de Stolpen waarvan er eene gebroken zijnde ik hem opdroeg daarvan den Gouvr Kennis te geven hetwelk hij aannam te zullen doen.---Doch hij zegde dat de Timmermn de kassen verkeerd gemaakt had -- hetgeen ik hem echter te verstaan gaf, dat ik Slechts als eene uitvlugt beschouwde, dxxxx dat zoo ik morgen avond de kassen niet had of ze waren niet goed, ik mij daarover regtstreeks (door de poortwachters) aan den Gouvr zou wenden. Hij beloofde er Smorgens dadelijk over te zullen Schrijven. Ik zegde dat mij een zulks om het even was, Doch dat ik Sinzeimon moest spreken.

dinsdag 9 februari 2010

Woensdag 8.

Kwam de Hofr Opper Banjoost ta op Dezima – Wierden de Goederen in de voor dat een einde gehuurde bark geladen -- waarna de voorz Opp Banjoost, een andere Opp Banjoost en een Reparatiemr bij mij aan huis kwamen en op Jap: Kost en Zakki onthaald wierden. – Waarbij de Dr en Scriba, benevens den Hofr Tolken en Onder Banjoosten mede tegenwoordig waren.

De spelende Astrale Lampen voor Z: K: M: en Z: H: de Kroonprins wierden nogmaals en bezigtigd en Door de Kollegie Dienaar ingepakt en wierd met den Hr Opp Tolk overeen gekomen om de drie Glasen Stolpen tot de Lampen behoorende mede te nemen en aan te bieden als xxx bestemd om de Lampen voor Stof te beveiligen alleen gedurendende zij in het pakhuis geborgen woorden. Den Hfr Opp Tolk wordt opgedragen en hij neemt op zich, om daartoe den vereischten houte kasten te laten aanmaken.

Ik moet hierbij aanmerken, dat den Keiz: Horlogiemaker die reeds voor eenige dagen op Dezima zou gekomen zijn, om de Lampen nog eens na te zien en in te pakken juist heden door gen. Opp Tolk mij aangezegd wierd, zwaar ziek te wezen.--waarom deze zegde dat

men de Lampen naar den Horlogiemr zou Sturen om die zooals gezegd is, te bezorgen, en ik verwachte dat dat zou geschied wezen. Doch toen den Opp Banjoost hier kwam

die het wierd daar niet verder van gesproken en de Lampen ingepakt het welk mij Speculatief voorkomt, te meer daar mij de Opp Tolk een en andermaal over de wijze van

inpakking raadpleegde waaromtrent ik mijne beste meening zegde, zonder echter toe te laten, dat de inpakking door een mijne Jap: Dienaren geschiedde zoo als die Tolk waarschijnlijk eerst voorstelde, en waarschijnlijk gaarne zou gezien hebben, ten einde zich van de verantwoordelijkheid van beschadiging te ontslaan en die op mij over te brengen – aflevering van StortSuiker en Sapph:

Heden den tweeden en

Donderdag 9.

Den derden dag van het Japans Nieuwjaar De vlag geheschen aflevering van Stort Suiker en Sapp

zondag 7 februari 2010

Dingsdag 7.

Japansch Nieuwjaars feest. De Vlag geheschen.

zaterdag 6 februari 2010

Maandag 6.

Omstreeks 2 Ure kwam de Onder Rappr mij de komst van den Hofr Opper Banjoost aankondigen die ook een half Uur later met eenen anderen Opp banjoost bij mij verscheen, -- De Tolken gaven mij te kennen, Dat het de decisie was op mijn den verzoek bij missieve van den 2e dezer aan het Tolken Kollegie en bij naderen brief op gister aan den Poortwachter afgegeven beide betrekkelijk den Hofreis bark. – Nadat ik het gewone Compliment had afgelegd, las de eerstgend Banjoost de oorspronkelijke Jap: Order of antwoord van den Gouvr hard op voor. Toen dat geëindigd was gaf ik te kennen, dat ik denzelve een papieren zoude overgeven en ging in eene andere Kamer om het te Schrijven, Doch den Opp Tolk Foekizeimon volgde mij en zegde dat ik vooraf de order te maken de mondelinge vertaling daarvan door de Tolken xxxxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxx moest aanhooren, dat het zeer onbeleefd was (die niet te willen aanhooren). Ik ging toen dadelijk naar den Opp Banjoost terug en hoorde met betooning van eerbied den vertaling derzelve order aan, xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx die door den Opp Rappr gedaan wierd wordende mij tevens mijne brief van gister terug gegeven, waarna ik heen ging en maakte een papier op, in substantie inhoudende

“Het Opph van den Nederl: handel vezoekt eerbiedig den Weledele Heer Opp Banjoost hem gelieven te ecuseren, dat hij niet mondeling kan antwoorden, al zoo hij redenen heeft te vreezen, dat de Tolken de gezegdens of antwoorden niet goed zouden overzetten, terwijl ook de meeste onder hen niet genoeg het hollandsch verstaan om getrouwelijk te kunnen vertalen, al wilden ze zulks. Ik moet daarom denWE Heer Opp Banjoost eerbiedigst verzoeken mij tot voorkoming van verkeerde vertaling of misverstanden, mij alles Schriftelijk te willen geven. Wanneer ik volgaarne op alles almede Schriftelijk zal antwoorden, zullende ik insgelijks alle de geëerbiedigde van den Orders van den WedGeAchtb. Heer Gouverneur Stiptelijk zal opvolgen welke Zijn WEd Actb: mij zal gelieven te geven.

Ik verzoek om de bovenaangehaalden redenen de Orders van heden Schriftelijk te mogen hebben dewijl het de intentie derzelve nauwkeurig wenschte te kennen, om daaraan gelijkerwijs te kunnen voldoen.

Ik heb de eer enz.,,”

Het welk ik ondertekend en van mijn cachet in lak voorzien, aan den Hofr Opp Banjoost overhandigen. Hij gaf dat papier ter lezing aan den Opp Rappr over, die het las en vervolgens hem in het Japansch mondeling vertaalde.

De Opp. Banjoost liet mij zeggen dat overmorgen de voor de Hofreis ingehuurde bark zou geladen worden of zegden dat zulks des noods nog heden dan wel morgen kon geschieden.

Den Tolk vroeg mij of zoo het overmorgen Sterk regende dan toch geladen zou worden. Ik

antwoorde dat al bedierf al mijn goed door de regen ik zoo men goed vond, het nogtans zou doen laden.— Doch men gaf mij de verstaan, dat zoo het hard regende, den Opp Banjoost dan niet zoukomen.— Kort waarna xxx de Opp Banjoost vertrok, die in het heen gaan de kisten waarin mijn Beddegoed en andere benoodigdheden voor de Hofreis was, bezigtigde en zegde, dat hij zag dat ik met alles reeds gereed was.

‘S avonds om zes Ure bragten mij de Tolken het Translaat van den Order of liever van het antwoord van Den Gouvr.

'S avonds meldde Dr v. Siebold mij Schriftelijk dat hij Sedert eenige dagen een Goud horlogie vermist hebbende, heden den Rappr Tolk en Ottona daarvan kennis had gegeven mij verzoekende de Opper Tolk op te dragen zulks aan het Jap: Gouvt bekend te maken, aan welk verzoek ik om xxxxx xxx van den 2e Kassaris voldeed.

vrijdag 5 februari 2010

Woensdag Februarij 1.

Voormidd omstreeks half elf Uren met den pakhmr bij den Gouvr ter afscheids audiëntie geweest en het gebruikelijk Complt afgelegd. Als eerst naar deszelfs welstand vernomen en gezegd dat ik gereed stond om den 9e der aanst. Jap. Maand (15 dezer) naar Jedo te vertrekken indien hij mij daartoe verlof geliefde te verleenen. -- hetwelk toestemmend beantwoord en waarbij gevoegd wierd eene aanbeveling om op reis de Orders van den Opp Banjoost in acht te nemen en aan den terugblijvende Hollanders om zorgvuldig op vuur en licht te passen.

Bij mijne terugkomst gaf mij de Opp Rappr zijne bekommering te kennen over het wegblijven der Hofreis Bark. Hij stelde voor om de goederen die anders met die bark gaan tot Simonoseki over Land te doen vervoeren, en aldaar te laden in de Bark die er gewis alsdan zoude wezen. Hij zegde mij door den Hofr: Opper Banjoost opgedragen te zijn mij daarover te spreken en mijnen raad te vragen. Hij zegde dat door het overladen uit een huur bark (bij ontstentenis van de Hofr bark) de breekbare goederen veel zouden lijden. Hij Scheen Daarbij te veronderstellen, dat ik wanneer de Hofreisbark niet kwam, ik zwarigheid zoude maken om te vertrekken, Doch dit sprak ik ten sterkste tegen, zeggende dat ik bereid ware de reis dadelijk aan te nemen, of zooveel vroeger als de gouvr zou goedvinden te bepalen al ware het ook zonder mijn bed of bagage mede te nemen. Dat het breken van eenige flesschen of glaswerken niet in aanmerking kwam, dat zoo zij Tolken, gelijk hij te kennen gaf, geen raad wisten, ik die een nieuw Opp hoofd ben, het nog minder wist, doch dat ik vermeende dat de Bark al voor lang hier had behoren te wezen, en herhaalde mijne Verklaring van bereid tot het vertrek te wezen en ik droeg hem op, het Kollegie morgen vroeg bij mij te convoieren hetwelk hij aanman met dat gevolg dat

Donderdag 2.

Hetzelve Kollegie omstreeks half vijf Ure des achtermiddags bij mij verzamelde waarbij present was de derde Ottona aan het welk ik eenen Brief overhandigde aan Den Gouverneur Fozikata Iosinoe no KamiSuma enz. luidende,

“De Ondergetekende, Hollandsch Opperhoofd, heeft de eer UWEgestr voor te dragen dat hij, ingevolge Uwh: verlof de reis naar Jedo op den bepaalde tijd zal ondernemen Dan Dat volgens informatie der Tolken de Hofreisbark tot heden nog niet hier zijnde, hij zich daar door in groote verlegenheid bevindt. daar hij vreest, dat wanneer hij te Simonoseki komt, die bark ook aldaar niet tijdig genoeg zal wezen, om zijn reis te water te kunnen voortzetten.

Waarom hij onderteekenaar eerbiedig de vrijheid gebruikt, U te verzoeken, order gelieven te Stellen dat ten spoedigste eene of meer barken hier worden ingehuurd geschikt en ruim genoeg om daar in, zoo als gebruikelijk de goederen te laden op dat hij als dan zonder oponthoud te Simonoseki de reis kunne voortzetten.

Maar wat Uh hier omtrent ook zult goedvinden te bepalen, betuigd de Ondergetekende nogmaals, volkomen bereidwillig te zijn om den negenden Siogwats naar Jedo op reis te gaan en zelfs zooveel eerder te vertrekken als Uh mogt goedvinden hem te bevelen.

Waarmede hij de eer heeft enz.,,

Zij vertaalden op mijn verzoek den inhoud aan den Ottona, mij betuigende denzelven brief zeer goed te keuren en dien ten Spoedigsten te zullen inhandigen, waarna Zij afscheid namen en vertrokken.

Vrijdag 3.

De Opper Rappr zegt mij dat er reeds eene kleine Bark ingehuurd was en vroeg mij of ik die zoude gebruiken. Ik zegde dat ik mij geheel aan den Gouvr's Decisies op mijn’ brief van gister omtrent eene bark zou onderwerpen en herhaalde hem nogmaals mijne betuiging dat ik bereid ware, om te vertrekken ook zonder bark, dat ik echter gaarne des Gouvrs antwoordt op mijnen brief wenschte te vernemen. Hij zegde dat dien Ambtenaar geen tijd had, mij een antwoord te geven en vroeg mij andermaals over het gebruiken van de ingehuurde bark. Ik antwoordde dat ik niets anders kon dan het reeds gegeven antwoordt konde zeggen, waarop hij ontevreden, zoo het scheen, vertrok. Eenigen tijd later kwam de Opper Rappr en bragt mij andermaal mijn’ brief terug over de kosten GiftSapph en do[=dito] Suiker (zie hiervoor op 19 en 27 jl.). Doch in stede van het verlangde antwoord van den Opp Rappr Burgemeester, Slechts een geschrift door de beide Rapp. Tolken ondertekend, waarbij zij te kennen gegeven ook volgens de Gd kamer bedienden het de Rekenmrs niet kunnen toestaan Dat Door het Opperhoofd aan dat Kind Sapph wordt gegeven, alzoo men er geen voorbeeld van heeft, doch dat de suiker kan gegeven worden. – Ik betuigd de hem mijne bevreemding Dat niet den Opp Rappr Burgem maar zijzelf mij op dien brief hadden geantwoord. Doch vond beter daar in te berusten en teeken dit slechts aan tot Speculatie voor mijne Opvolgers als een bewijs van de willekeurige handelwijs der Tolken ten onzen opzigt daar mij reeds dikwijls brieven zijn teruggebragt of geweigerd xxxx te bezorgen

Zaturdag 4.

De Tolken Famifeitoero en Genoska gekomen in plegtgewaad mij hunne benoeming tot resp. Opper en Onder Rapporteurs bekend maken aan welken eerstgen. ik Opdroeg en die aannam mijne Complimenten voor het Jap: Nieuwe jaar volgens verbruik aan de Gouvr en verdere Ambt af te leggen.

Zondag 5.

De Opper Rappr komt voormidd. en zegt mij op mijne vraag omtrent den Hofr bark dat ik Spoedig een antwoord op mijn brief van Den 2. dezer bij Translaat van de Gouvr zou krijgen, en dat die Ambtn. hem Opp Rappr doorgehaald had, over dat hij verzuimd had van het bezorgen eener andere bark mij kennis te geven.

Daar ik vrees dat het te laat zal worden en de Tolken mij ophouden om mogelijk bij den Gouvr mij de doen voorkomen als of ik niet wilde op reis gaan alvorens de Hofr bark hier zij, terwijl zij misschien mijnen voorn. Brief terug hebben gehouden, Schreef ik aan den Gouvr Fizikata IdSoemo enz.,

“Reeds voor langer dan eene maand geleden heeft de Ondergetekende Holl: Opph: zoo mondeling als Schriftelijk den Tolken xxxxxxx dat het tijd wierd, dat den Hofreisbark geladen wierd, dan hij heeft tot de zijne verwondering vernomen; dat die bark niet hier maar elders was, om koopmanschappen te vervoeren en zij hebben hem bij herhaling beloofd, dat de voorg. bark tijdig genoeg hier zou wezen om voor de Hofreis geladen te worden, dan daar hij telkens tot nu toe Door hun is uitgesteld geworden, en het met die ijdele beloften zoo laat wierd en de ondertekenaar vreesde dat de Hofreis bark niet tijdig genoeg voor de Hofreis kort aanstaande Hofreis hier zou wezen, heeft hij den de vrijheid gebruikt zich daaromtrent aan Uh: te wenden met een eerbiedig verzoekschrift hetwelk hij op den 2e dezer aan het Tolken Kollegie in bijsijn van den 3e Ottona, heeft overgegeven en waarvan hij zich vereert een afschrijft hiernevens aan Uh aan te bieden, en welk Adres de Tolken hem beloofd hebben ten Spoedigste aan Uh in te dienen. Dan tot heden De Tolken mij alnog niet Uh decisie op mijn verzoek niet hebbende bekendgemaakt, en ook onbemerk zijnde of er al dan niet eene bark voorhanden is, bevinde ik mij een groote verlegenheid dewijl er Slechts nog weinige dagen tot aan mijn vertrek overig zijn en ben ik daarom zoo vrij Uh nogmaals lastig te vallen en eerbiedig te om eene decisie te verzoeken, daar ik vrezen moet, dat het anders te laat zou worden en Uh te regt deswegens op mij misnoegd zoud ’t zijn.

Dan nogmaals betuig ik Uh volkomen bereid te wezen om op reis te gaan al ware het zelfs dat er geene geschikte of in het geheel geene bark voorhanden ware, en dit heb ik verscheidene malen ook zoo aan de Tolken gezegd.

Ten Slotte verzoek ik Uh alnog om eene Decisie waar aan ik mij volgaarne aan zal

Onderwerpen, hoe die ook wezen mag

Terwijl ik de eer heb enz,”

Ik voegde bij dezen brief eene kopij van dien van den 2e dezer en sloot beiden in een Couvert hetwelk ik met het groot Cachet der Factorij bezegelde en overhandigde dien aan den wachthebbende Onder Banjoost aan wien ik beduide dat ik verlangde, dat het aan den Gouvr wierd bezorgd. Hetwelk hij aannam.

donderdag 4 februari 2010

Januari 1826

1826
Zondag 1. Januarij
Heden wordt het Nieuwe Jaar door eenen Maaltijd gevierd waar bij tegenwoordig waren de 1e Ottona1, de 2de en 3de ongesteld zijnde, en van de Opper Tolken alleen de temp[orair] Opp Tolk Sinnemon, de overige zich uit hoofde van ongesteldheid hebbende laten excuseren, uitgezonderd Tamifats, die waarschijnlijk om het op eergister voorgevallene niet is gekomen. Voorts waren daarbij de verzochte Onder en Vice Onder Tolken, de part[iculiere] Tolk en de Dokters.—
Het is gemakkelijk te begrijpen Dat de Opp Tolken Saekizeimon, Tamifatsin en Sinzeimon, die alleen het Kollegie uitmaken, zich gebelgd houden, omdat ik hun thans nog geen Sappanhout wil geven en mij, door niet bij mij te komen, zoeken Daartoe te Dwingen. Ik heb hun echter doen gevoelen, dat zij daarin niet zullen slagen en hun verklaard, dat ik vooraf wil zien hoe zij zich zullen gedragen en Dat het van hun zelve zal afhangen of en hoeveel ik hen na volbragte reis zal geven. Die voorbehouding noodig achtende om hun in bedwang te houden en te beletten dat zij op de Hofreis van ons, doch wij niet van hun afhangen daar de Opperhoofden bij alle vorige Hofreizen zich over de Slechte behandeling en bedriegerijen der Hofreis Tolken in de dag Registers beklagen. – De eenigste band voor dat soort van menschen is eigenbelang, redelijkheid of billijkheid kennen zij niet.

1 Gekozen hoofd van straat of wijk, verantwoordelijk voor rust en orde, administratie van bewoners en de brandveiligheid.

Maandag 2.
Niets voorgevallen

Dingsdag 3.
De Wachth Tolk Saksabio komt mij namens Den Opp Rappr zeggen Dat morgen de restant Suiker, Sappanh en Platlood zal afgeleverd worden. Ik betuigde hem mijne bevreemding dat de Rappr mij vooraf zulks niet gevraagd hadden zoo als behoorde en gebruikelijk was, en zegde hem dat ik, alvorens de aflevering plaats kan hebben, de zoodanige aanvraag verwachte. Dit had de uitwerking dat omtrent een uur later de Ond Rappr mij daarover kwam Spreken, tevens het niet komen van den Opp Rappr verschoonende door zijne onpasselijkheid (die echter Slechts voorgewend is) en dat hij daarom de wachth Tolk opgedragen had, mij wegens dien aflevering te waarschuwen. Ik zegde hem mijne mening daarover en stond de aflevering toe.
Omstreeks vijf Ure namidd:, zijnde het dus nog licht, wierd eene nieuwe Kabaai1 van de wachtplaats nabij de Poortwacht gestolen waarvan ik dadelijk den Wachth Tolk opdroeg de Ottonas kennis te geven met verzoek het Gouvt daarvan te informeren, en waarschuwing tevens Dat zoo niet het gestolene terug werd bezorgd, ik des anderdaags mijn beklag daar over aan Den Gouvr zou doen en den brief daartoe aan den Opp Banjoost zou overgeven, die om de aflevering op Dezima moest komen ten einde de frequente diefstallen op Dezima tegen te gaan.

1 Een kort wijd jakje.

Woensdag 4.
Heden ochtend vroeg kwam de Wachth Tolk met een der Kasserissen1 mij de op gister vermiste Kabaai terug brengen die hij mij zegde heden in de vroegte gevonden te zijn, liggende in de tusschenhuizing achter de Klok tegen over mijne woning. Men gaf voor een dader niet te kennen.
Ik zag hier uit, dat wanneer de Tolken Slechts wilden, het Stelen zeer wel zou kunnen belet worden, Daar het gestolene zoo Spoedig terug te vinden is. Ik zegde daarom aan Den Tolk, dat ik niet te vrede ware met de Kabaai terug te hebben, dat ik verlangde Den Dief te kennen, die klaarblijkelijk Den Nacht op het eiland had doorgebragt, dat ik alsmede de twee Servetten moest terug hebben die voor enigen tijd van de bleek gestolen waren, en ik dreigde dat ik alvorens de Ottomans en Kollegie Dienaars den Stortsuiker niet zou geven. Daartoe genoopt doordien in den Negorie tijd een der Eiland Wachters op het Stelen van Suiker uit de pakhuizen is betrapt en Daarvoor enkel het Eiland is ontzegt geworden.
Heden afgeleverd restant van de Geldkr 90 K: Sappanh aan de koopln 4450 K: Sappanh, 2029 K: Platlood en 74 K: Suiker, aan het Kollegie 1500 K: Saph 916 K: p.lood, en aan den K. Zaakbezorger 396 K: do[= dito] geligt voor den Busschieter2 en de Burgemeesters.

1De kasserissen zijn de huiseigenaars van het eiland, en houden toezicht over de gebouwen. Zij zijn tevens de plaatsvervangers van de Otona’s wanneer deze afwezig zijn.
2 Kannonier.


Vrijdag 5.
Met Basijemon geaccoordeerd voor het verlakken der Hofr Tafels $ 16,-- & vernisSen van een do Stoel $ 4,- & maken van vier nieuwe voetstukken voor de spelende geschenk Lampen alzoo de ouden door het breken eener GlasStolp niet meer kunnen Dienen voor $ 24,-- Ik liet den Onder Rappr roepen, dan men zegde mij dat hij uit was

Vrijdag 6.
Ik liet den Ond Rappr Schriftelijk weten dat ik hem moest Spreken, over eene kleine reparatie aan de Spelende Lampen vereischt en dat hij tot dat einde den Schilder moest medebrengen.
Hij kwam echter zonder den zelve en gaf voor dat hij naar het Gouvt moest dewijl hij als een der Rapporteurs daar ontboden was. De waarheid is, dat even als alle den overige Ambt bij den Gouvr hun Compliment gingen afleggen ter gelegenheid van het begin (volgens den Jap: Almanak) van de Winter. – Hij vertelde mij dat hij gister niet thuis was geweest en Dat de Opp Rappr nog ongesteld ware. Ik gaf hem niet onduidelijk te kennen dat ik noch het eene noch het andere geloofde en tevens dat ik zeer wel begreep, dat zij Tolken Door niet bij mij te komen en de werklieden van het Eiland af te houden, vermeenden mij in verlegenheid te brengen en mij te kunnen dwingen om nog voor de Hofreis Sapph te ligten, Doch dat dat middel niet zou slagen, maar dat zoodra mij zulks zal beginnen te vervelen ik mij aan den Gouvr zal adresseren.— Heden is dan ook de Zilversmid gekomen, en de Timmerman die ik voor eenige reparatiën aan mijne woning noodig heb doch voorgevend ziek is, hoewel Kisten voor den Opp Rapp tot de Hofreis makende, zal volgens zeggen van den Ond Rappr binnen twee à drie dagen, ziek of gezond, op Dezima komen.

Zaturdag 7.
Ik achte dienstig de Oppr Rappr te Schrijven, dat het noodig ware dat de Schilder hier kwam om eenige kleine reparatiën aan de bovenstukken van de Geschenk Lampen te doen die reeds voorgister had moeten komen en dat het hoog tijd ware dat dat en nog enige andere zaken bezorgd wierden en dat ik om buiten alle verantwoordelijkheid te blijven ik hem waarschuwen moest, dat zoo er iets voor de hofreis ontbreekt, ik mij daarover zal beklagen.
Nauwelijks had ik dit geschreven, toen de Ond Rappr bij mij kwam xxxx xxxx ik mijn ongenoegen te kennen gaf over de vertraging die zij in de toebereidingen voor de Hreis brengen. Ik waarschuwde hem tevens dat ik voorzag dat zij de Hofreis bark, die thans reeds hier moest wezen, tot op het oogenblik van vertrek zouden terug doen blijven opdat ik die niet zou kunnen onderzoeken, dat ik voorzag dat zij misschien met mij xxx gelijk met mijn voorganger bij de laatste Hofreis zouden willen handelen, toen die Sinzeimon ook Hofreis Opper Tolk was wanneer de Horeis Bark vies en te klein wierd bevonden ofschoon er tot het bouwen ven eener nieuwe 30 Kn: Suiker door het Opph was gegeven waarom dan ook dezen Ambtenaar in zijn dag Register zegt, dat hij van nu af aan dat gedrag in het Dagregister tot waarschuwing van zijne opvolgers zou optekenen opdat zij zich in den xxxx voor hun lieder bedriegerijen konden wachten en nimmer weer al vergingen alle de Barken eene Knaster Suiker te geven, wijl zij enz. Ik las de Onder Rappr deze pasage voor en zegde hem dat ik reeds langer gemerkt had, dat de Tolken dewijl zij weten dat ik nieuw en onkundig van de Kapittels ben, zij mij daarin bedriegen Door mij allerlei nieuwe uitvindingen tot hun vóór maar ons groot nadeel als oude Kapittels opdringen waarom ik voorgenomen had niet over te stappen en zoo de Bark slechts een halve maat te klein was, ik die niet zou nemen, of zoo het te laat was, mij daarover zou beklagen. Even zooals ik verwachtte, bevond het zich, de Ond Rappr zegde dat de nieuwe Bark (NB nieuw) waarmede mijn voorganger de terugreis had gedaan iets te kort was gemaakt. Waarop ik hem antwoordde dat ik ze dan niet wilde nemen. Hij scheen met de zaak verlegen en zegde bij herhaling dat hij dadelijk den Opp Rappr zou waarschuwen, Ik antwoordde dat mij zulks geheel onverschillig was, maar dat ik geene andere dan eene behoorlijke Bark wildde hebben en er mij thans niet over wilde bekommeren maar wanneer het tijd was zou weten wat mij te doen stond.
Hij zegde mij dat de Hofreis Opper Banjoost hem had opgedragen mij te verwittigen dat des Keizers reis naar de Graven zijner voorvaderen te Niko tot aanstaande jaar was uitgesteld en dat de order tot het doen van de Hofreis nog niet was gekomen en waarschijnlijk later zoude komen. – mogelijk is dit eene Streek om mij te doen vrezen dat ze niet zal gedaan worden. Ze zijn altijd vol listen en intriges, ik acht het daarom niet ondienstig almede mijne opvolgers te waarschuwen tegen de verregaande bedriegerijen en Slechte Streken van de Tolken dien zij niet alleen dagelijks in het bijzonder aan ons plegen, maar wat het ergste is waardoor onze Kompshandel zoo zeer benadeeld wordt Dat het te voorzien is, dat zij geheel te niet zal loopen en ons Gouvernement niet langer de enorme verliezen zal willen lijden die op den handel valt en die jaarlijks erger wordt en onze Factorij geheel zal opgebroken worden waarvan buitendien reeds kwestie is geweest.—Het is vooral wanneer ze met een nieuw Opp: hoofd van doen hebben die met de zoogenaamde Kapittels (gebruiken) onbekend is, dat zij gelegeheid vinden hunne hebzucht in te willigen die nimmer verzadigd is en het is niet tegenstaande alle voorzorgen niet doenlijk zich voor alle hunne Streken te wachten: een bestendig wantrouwen is daarom aan te raden.
Ik schreef heden aan hetTolken Kollegie den Brief K:b:b: No 2.

Maandag 9.
Van het eergister geslagte Koebeest aan den Gouvr , Rentmr enz, het gewone aandeel uitgedeeld.
De Ond: Rappr bragt mij drie concept brieven. – bij welke gelegenheid ik hem nogmaals over de Hofreis bark Sprak en zegde dat het tijd wierd, dat de bark geladen wierd, en dat ik ze vooraf wilde doen examineren. Ik vernam toen dat de Bark naar Ozakka was met Goederen van de Chinezen en Jap Kooplieden.. Zoodat ik ontdekte dat de zoogen Hofreis bark die gezegd wordt onze bark te wezen, Door de Tolken verhuurd wordt en op vracht vaart, hetwelk almede eene ongeoorloofde winst die de Tolken zich weten te verschaffen. Ik zegde hem mijn meening over die Schandelijk handelwijs en dat het even zeer tegen den Waardigheid van hun Hof dan van mijne regering Streed, dat het Opph, die als gezand der hooge Regering de eer heeft den Keizer te nadeen en Geschenken aan te bieden, de reis met eene gewone Vrachtbark doet, en droeg hem op aan den Opp: Rappr te zeggen dat zoo de Bark niet binnen kort hier kwam, ik mij aan den Gouvr zou beklagen.

Dingsdag 10.
Heden Schriftelijk verzocht aan den Gouvrn dat het kind van den Pahuismr V: O: FisScher op Dezima mag blijven (Kbb No 3) en aan den Opp Rappr Burgemr (Kbb No 4) dat den K: Horlogier Obato Jezoo, dagelijks aldaar mag komen.
Ik droeg heden den Opp Rappr op, om overmorgen denTimmerman te bestellen om de Komps reparatiën op te nemen. Hij stelde mij voor zulks nog vier a vijf uit te stellen. Daar ik echter geene oorzaak daartoe vond, bleef ik erbij om het op overmorgen te bepalen. – Op mijne herhaalde aanvraag kreeg ik Schriftelijk antwoord van het Kollegie dat zij het beter achten alle drie de Glas Stolpen van de Spelende Lampen voor Z K M en den Kroonprins tot extra Geschenk bestemd, hier te houden.

Woensdag 11.
Aan den Opp Rappr geschrevenom morgen den Timmerman op Dezima te doen komen alzoo ik voor de Hof reis de Komps reparatiën wil doen opnemen en bezorgen, en tevens dat ik verlang, dat de Hofreis bark uiterlijk de 19 dr hier zij, alzoo ik die wil doen examineren en zoo die bark te klein is, alsdan te zorgen, dat om dien tijd eene andere behoorlijke Bark voorhanden zij. Hem daarbij waarschuwende dat ik de reis niet wil doen met eene bark die te klein of te Slecht is. – Daar zulks Strijdt met de waardigheid van het Opperhoofd wanneer hij als gezand der hooge I: Regering de eer heeft de geschenken Z: K: M: aan te bieden – waarop ik hem antwoord verzocht.

Donderdag 12.
Heden kwam de Timmerman omstreeks half twee Ure met den Tolk Sakoetisiro Daar de Opp Rappr zich almede wegens ongesteldheid liet ecuseren. Ik liet vooraf den Timmerrman de defecten opnemen, en daar het etenstijd was, besteld ik hem op morgen vroeg.

Vrijdag 13.
Wanneer hij kwam en de opname der gez: reparatiën geschiede door de Gecommiteerden Van O: FisScher en Gozeman die mij

Zaturdag 14
hun rapport daarvan indienden en ik schreef aan den Opp Rappr om mij heden of morgen vroegtijdig, de kosten der reparatiën op te geven, om dat ik over dezelve, nog voor mijn vertrek wensch te accorderen en alles spoedig te bezorgen.
Heden kwam De Oppr Tolk Saekizeimon mij verzoeken, om de ligting van Sapph: waarom de tolken mij reeds een en andemaal met zooveel aandrang zijn lastig gevallen. Hij probeerde mij er Kamfer voor te geven, voor den zelden prijs als wanneer dezelve in Komps geld wordt betaald, dat is $ 18=4. Daar ik echter gaarne beter bedingingen maken wilde, zegde ik hem dat mogelijk aanstaande negotietijd de Schepen geen Kamfer zouden kunnen laden daar er zooveel koper van dit jaar restant was gebleven waardoor wij geen genot van de propositie zouden hebben, en dat men te Batavia ook niet bijzonder op de anvoer van Kamfer was gesteld daar er toch ook van elders wierd aangebragt Dat ik liever gewenscht had dat ze de ongelden op Kambang hadden laten vereffenen. Dat wat zijn verzoek wegens ligting van Sapph: betrof, ik na volbragte Hofreis wanneer alles wel afliep zulks zou geschieden. Hij antwoorde dat die ligting voor alle de Hofreis Ambtenaren, veel aangenamer zou wezen voor dan na de reis. Dat hij mij verzocht er nogmaals rijpelijk over na te denken en dat hij binnen twee á drie dagen mijn antwoord daarop zou komen vernemen.En na nog eenige woordenwisselingen, vertrok hij, daar hij begreep dat het voor ons etenstijd was.

Zondag 15.
De Opp Rappr bezorgt mij de opgaaf der Komps reparatiën ter Somme van $ xxxx waaronder verscheiden defecten die in het midden van het vorig jaar door denzelfden Timmerman zijn gemaakt. Dat gestadige repareren der Komps en Kamb: gebouwen is een gevolg van het misbruik dat de Opperrapporteur de eignlijke aannemer en de Timmarman Slechts als zijn koelie of als een zoogend Strooman is aan te merken. Een misbruik waarover reeds het Opph Titsingh zich beklaagt. Met den Timmerm over eene Komps repar. geaccd voor $ 19=5.

Dingsdag 17.
De beide Rappr komen in plechtgewaad mij bekenmaken dat ik tot de Hofreis toegelaten ben. Ik droeg hun op den Govr mijn Compliment en Dankbetuiging deswegens aan te bieden.

Woensdag 18.
Voor morgen wordt mij aangekondigd het beginnen der werkzaamheden tot inpakken der Geschenken.

Donderdag 19.
De Geschenken worden in de Dozen nagezien en beneden gebragt waarbij Gecommiteerde Ambtn Gozeman en Burger. Ik krijg berigt dat de Ratten het Schaarood laken voor Z: K: M: bestemd beschadigd hebben en bepaal met den Opp Rappr om ander gaaf Laken in plaats te nemen en het beschadigde zooveel doenlijk tot de Jedoosche Verkop te doen dienen.
Ik verzoek schriftelijk [K.bb No 7] om aan het kleinkind van den gewezen Docter Feilke te mogen geven 200 K: Splinters Sapph en 50 K: Suiker en schrijf voorts aan den Gouverneur [Kbb No 5] “De Ondergetekende Holl. Opperhoofd, door zijne Hr en Mr gelast zijnde zeshonderd pikol Kamfer in te koopen en naar Batavia te zenden, Gebruikt de vrijheid UHEdelgestr verlof te vragen om aanstaanden negorietijd Zes honderd pik. Kamfer gedeeltelijk op den aparten handel en die boven de XXX met Kamb: betaling, tegen den minsten prijs te mogen erlangen. UWEd: almede eerbiedig verzoekende, dat de Kamfer vroegtijdig genoeg mogen geleverd worden om hier ter Reede ingescheept te worden even gelijk in het afgeloopen jaar waarvoor hij Uh bij dezen zijn dank betuigt. Dewijl het inladen bij den Papenberg vele ongelden veroorzaakt en groot risico geeft.
Waarvoor zeer dankbaar zal wezen, die den eer heeft, enz.”
En almede aan Denzelven [Kbb No 6] “Ik betuig Uh op mijnen besten Dank voor dat Uh op mijne voordragt wegens het slechte staafkoper dat wij vroeger hebben gekregen en het verlies dat wij daardoor geleden hebben Daarop order hebt gelieven te stellen, zoodat het staafkoper in het voorleden jaar beter is geweest. Die bewezene gunst moedigt mij thans aan Uh eerbiedig te verzoeken om ook voor den aanst. negorietijd te willen bevelen dat het Staafkoper van beste kwaliteit zij, zoals het voortijds was, zonder met Slechte Stuks vermengd te wezen. En daar de Schepen door derzelve kleinheit niet de volle xxxx koper hebben kunnen laden, welke ons door Uh gaarne is toegestaan maar er 2600 pik restant zijn gebleven, verzoek ik Uh zeer vriendelijk om met de Schepen van dit danwel een volgend jaar alnog dat restant koper boven en behalve de jaarlijkse xxxx van 1100 open te mogen vervoeren. Waarvoor, enz.”.— De Hofreis en een andere Opp: Banjoost en een reparatieMr komem bij mij aan huis en de Lampen worden in hunne tegenwoordigheid nagezien

Vrijdag 20.
Het Laken gescheurd voor Ozzaka Miako enz.
Voormiddag komt de Opper Tolk Saekizeimon antwoord vragen op zijn verzoek op den 14 dr aan mij gedaan wegens de ligting van Sapph welk ik zegde hem te zullen geven zoodra de Hofreis bark hier zal wezen doch eerder niet, daar ik overtuigt ben dat zij die teruhouden om mij eene slechte bark op te dringen. Dan daarmede was hij niet te vrede en daar hij bleef aanhouden zegde ik hem te moeten uitgaan. Stond op en ging naarde Dozen om van hem ontslagen te worden.
Ontvangen den brief van den Tolken Rappr over den Bark xx 12 Zuxxgxx 26.

Zaturdag 21.
Den Monster Stoffen naar het Gouvenement en teruggebragt.— De Lampen zouden ook zijn gebragt geworden, doch uit vrees, dat de dragers, door het ijs en Sneeuw op de Straten zouden uitglijden, is zulks uitgesteld.

Zondag 22.
In de Dozen de geschenk& gesoorterd. – Den Opp Rappr Burgemr schriftelijk [K.bb No 8] verzocht om 600 Kab: Teilen Reis geld voor den Dr en den Scriba uit de te goed zijnde Kambang gelden.

Maandag 23.
De Geschenken worden ingepakt. Ik ging naar het Pakhuis de Dozen en gaf den aldaar zijnde Opperbanjoost dezelve over, aan wien ik tevens Koffij, Likeur, Banket en Konfituren liet aanbieden.

Woensdag 25.
Alle de Jap: Ambtenaren tot de H reis trein ook des Opph: Jap: Dienaren gaan naar den Tempel om eene behoudene reis bidden.

Vrijdag 27.
De Geldkamer bedienden komen de gevraagde Kamps reparatiën bezichtigen. Namiddags wordt mij door den Onder Rappr mijn brief den 19 dezer aan den Opp Rapporteur Burgemeester gericht terug gebragt, waarbij ik verzocht aan het Kl kind van den gewezen Docter Feilke 200 K: Sapph Splinters en 500 K: Suiker te mogen geven teruggebragt en mij gezegd dat Sapph mogt gegeven worden. Ik vraag een Schriftelijk antwoord daarop en hij neemt mijn Brief weder mede.

Zaturdag 28,
De Opp Rappr en Wachth Tolk komen bij mij en zien de Spelende Lampen na waaraan bevonden wordt van eene blikken buis het soldeersel los te wezen. De Horlogiemr komt om zulks te vermaken.
Ik gaf de Verpraai [?] brieven en de waarschuwingen voor de aankomende Schepen aan de Opp Rappr af. De Doctor gaat naar de Stad en informeert mij dat hij aan eenen patient de operatie van de aftapping van het water gaat verrigten.

Zondag 29.
De Spelende Lampen voor Z: K: M: en den Kroonprins worden ter bezigtiging naar het Gouvt gebragt.

Maandag 30.
De op gister voor morgen bepaalde afscheids audientie wordt om drukte aan het Gouvt tot op morgen uitgesteld.
Ik verzoek Schriftelijk [Kbb No 9] aan de Gouvr om den Vice Onder Tolk Namaesa Hatsitaro naar Jedo mede te mogen nemen en aan denzelven voor reiskosten acht tien knaster Suiker als vier vijf bij zijn vertrek en vijf bij zijnen terugkomst te geven als ook gelijkelijk aan Den Opp Rapp Burgemr [Kbb No 10] dat de Jap: Doctor Koo Riozei als Doctor op mijne rekening moge medegaan welke eerste brief mij echter

Dingsdag 31.
wordt teruggebragt en waarom ik inStede van tien knasters slechts acht stel met bijvoeging van de woorden uit de 100 kn Giftsuiker.